Biotoopverbetering


Inleiding.

Nederland is een dicht bevolkt land. Hierdoor is er eigenlijk geen plekje meer dat niet in zekere mate door de mens wordt beïnvloed. Het grootste deel van Nederland is in cultuur gebracht is. Zelfs wat we nu kennen als grote aaneengesloten natuurgebieden is ontstaan door menselijk handelen in het verleden.

Het in cultuur brengen van grond heeft grote invloed gehad op de Nederlandse fauna. Sommige diersoorten konden zich niet aanpassen aan de veranderingen van hun leefmilieu en werden teruggedrongen tot de gebieden die minder ingrijpend veranderden. Voor bijvoorbeeld het korhoen had dit zeer grote gevolgen. Andere diersoorten konden het goed vinden in hun nieuwe leefomgeving en bleken zich prima te kunnen handhaven. Sterker nog, een nieuwe leefomgeving met een veranderd grondgebruik leidde ook weer tot de komst van nieuwe diersoorten die zich succesvol konden vestigen . Economische ontwikkelingen dwongen het boerenbedrijf  tot modernisering met alle gevolgen van dien. Schaalvergroting, ruilverkaveling, monoculturen,  grootschalige mechanisatie en bestrijdingsmiddelen maakten het Nederlandse cultuurlandschap minder plant- en diervriendelijk en de aantallen van sommige soorten begonnen terug te lopen.

Al jaren zijn we in een situatie terecht gekomen dat, willen wij sommige van onze traditionele wildsoorten, ook al worden zij niet bejaagd, qua aantal op een niveau brengen en houden dat de populatie levensvatbaar maakt en houdt, wij aandacht moeten besteden aan het leefmilieu van onze fauna. Een beproefd middel is hiervoor de biotoopverbetering. Deze heeft niet alleen betrekking op het wild, maar komt de gehele fauna ten goede.

De informatie die hierna beschikbaar is, is niet alleen voor jagers die in hun veld aan de slag willen en kunnen. Ook anderen hebben belang bij exact hetzelfde handelen in de biotoop als jagers. Handelingen die gericht zijn op het vergroten van de biodiversiteit zoals het bevorderen van meer bloeiende planten in het boerenland of zorgen dat er in houtopstanden meer besdragende struiken komen, zijn ook in het belang van bijvoorbeeld imkers en vogelaars. Waar natte biotopen zoals poelen beheert worden, profiteren ook direct verschillende weidevogelsoorten. De informatie over biotoop beheer kan dus ook uitstekend gebruikt worden voor imkers en vogelaars. Waar in de tekst gesproken wordt over wij als jagers, kan dus ook gerust ook bijvoorbeeld door imkers vervangen worden.  

Biotoopverbetering krijgt het meeste draagvlak wanneer meer partijen betrokken worden met eensluidende belangen. Juist een pragmatisch handelen biedt onze fauna èn flora in een eenzijdig landschap volop kansen.

Wat is nu precies biotoopverbetering en waartoe dient het?

Om deze term te begrijpen moeten we eerst weten wat onder biotoop wordt verstaan. De biotoop is het landschapstype waarin een bepaalde leefgemeenschap van planten en dieren voorkomt. De biotoop waarin de dieren leven moet voorzien in hun levensbehoeften zoals voedsel,  dekking, nestgelegenheid en alle andere zaken die voor een dier onontbeerlijk zijn. Een biotoop heeft een bepaalde draagkracht. Hiermee bedoelt men het aantal dieren dat in een bepaalde omgeving kan leven door gebruik te maken van de mogelijkheden die de biotoop biedt om in levensbehoeften te voorzien. Biotoopverbetering houdt dus het vergroten van deze mogelijkheden in.

Door middel van biotoopverbetering kan men de draagkracht van een biotoop vergroten. Er zullen dan meer dieren in een bepaald gebied kunnen leven. Bovendien kan bijvoorbeeld het broedsucces vergroot worden. Over het algemeen kun je zeggen, dat biotoopverbetering tot gevolg heeft dat een levensgemeenschap een grotere hoeveelheid soorten gaat omvatten en/of een groter aantal individuen per soort.

Waaraan moet een biotoop voldoen?

Een eerste vereiste waaraan een goede biotoop moet voldoen is het verschaffen van dekking. Een dier moet een plaats hebben waarin het zich kan verschuilen voor predatoren, waarin het zich terug kan trekken bij verstoring door menselijke activiteiten (recreatie, agrarische werkzaamheden) of waar het beschutting kan vinden tegen barre weersomstandigheden. Ook nestgelegenheid is van levensbelang voor het ontwikkelen van een goede wildstand.
Ten tweede moet de biotoop voorzien in de voedselbehoefte. Hiermee wordt niet gedoeld op plaatsen waar regelmatig voer door menselijke invloeden beschikbaar is, maar op een natuurlijk voedselaanbod met voldoende afwisseling. Hierbij moeten we denken aan zaden, vruchten, jonge twijgen, kruiden, bladeren en ook insecten, wormen en andere kleine prooidieren.

Aan de  genoemde eisen hoeft niet op elke vierkante meter te worden voldaan. Het is voldoende als in een veld een aantal plaatsen zijn die elk aan een deel van de eisen voldoet. Hierbij moet men ook in acht nemen dat 10 stukjes van 1 are veel effectiever zijn dan 1 stukje van 10 are. De verschillende plaatsen moeten echter bij voorkeur niet te ver uit elkaar liggen. Ze moeten voor het wild vlot en gemakkelijk bereikbaar zijn. Indien het wild grote afstanden moet overbruggen is het zeer kwetsbaar.

Aan de genoemde eisen moet wel elk moment van het jaar voldaan worden. Het wild moet te allen tijde beschikken over voedsel en dekking. Hierbij mag wel opgemerkt worden dat in agrarische landschappen gedurende de zomer en herfst natuurlijk al veel beter aan de eisen voldaan wordt dan in de winter en het voorjaar, als de velden leeg en kaal zijn. Op grote lappen grond met monoculturen, die bovendien ook nog met bestrijdingsmiddelen behandeld worden, kan het wild echter ook lang niet alles van zijn gading vinden.

Als we aan biotoopverbetering in de praktijk gaan denken moeten we ons vooral eerst enkele vragen stellen. We hebben natuurlijk wel gezien welke eisen in het algemeen aan een goede biotoop worden gesteld, maar het spreekt voor zich dat elke diersoort andere specifieke eisen stelt (een haas houdt helemaal niet van insecten en een patrijs niet van boomschors).

De eerste vraag die we daarom moeten beantwoorden is voor welke wildsoorten we de biotoop willen verbeteren. Als deze vraag beantwoord is dien je te ontdekken welke eisen de betreffende wildsoorten stellen. De laatste vraag is dan aan welke eisen al voldaan wordt en aan welke nog niet. Dit geeft dan aan wat voor maatregelen genomen moeten worden.

We moeten natuurlijk wel reëel blijven met de verwachtingen die we koesteren ten opzichte van biotoopverbetering. Je kunt niet verwachten dat in een bosgebied middels enige ingrepen een fantastische natte biotoop is te creëren, om maar een extreem voorbeeld te noemen. De bestaande biotoop moet al enigszins aansluiten bij de eisen die een bepaalde soort stelt. We spreken ten slotte over biotoopverbetering, niet over biotoopverandering. Normaal gesproken werk je dus aan het verbeteren van omstandigheden voor soorten die in een gebied al voorkomen.

Het aanleggen en onderhouden van beplantingen ten behoeve van het kleinwild.

De laatste jaren  zijn er grote veranderingen opgetreden in de biotoop. Er is op grote schaal ingegrepen in het landschap door onder meer ruilverkavelingen  en wegenaanleg, waardoor veel natuurlijke dekking in de vorm van houtwallen, ruige slootjes en braakliggende hoekjes zijn verdwenen. Hierdoor is veel broedgelegenheid voor patrijs en fazant verdwenen en hebben haas en konijn geen plekjes meer om zich te verschuilen. Daarnaast is de keuze van de gewassen op de cultuurgronden sterk veranderd. De percelen zijn veel groter en er is minder afwisseling in soorten. O op weilanden treffen we nog maar enkele grassoorten, de kruiden die hier vroeger in voor kwamen, zijn vrijwel verdwenen. Mede door deze veranderingen is de biotoop verarmd. Door verspreid door het land enige beplanting aan te leggen kunnen we deze toestand echter gemakkelijk verbeteren.

Hoe komen we aan grond?

Indien we willen gaan planten, zullen we eerst over stukjes grond moeten beschikken waarop we dit kunnen (en mogen) doen. In het algemeen zijn hiervoor de volgende mogelijkheden aanwezig:
-    Het huren, pachten of kopen van niet beplante overhoeken en onrendabele stukken grond. Hierbij moeten we bijvoorbeeld denken aan hoekjes die om wat voor reden niet meer gebruikt kunnen worden met het hedendaagse grote en zware machinepark van de landbouwer.
-    Het huren, pachten of kopen van cultuurgronden binnen het veld, Vooral her en der verspreid liggen kleine stukjes cultuurgrond zijn uitermate geschikt voor onze doeleinden. Een groot perceel is eigenlijk alleen interessant indien het middels uitruilen met landbouwers in een veld geruild kan worden voor een aantal kleinere stukjes grond.
-    Het huren of aankopen  van bestaande bosjes, singels, wallen en groenstroken. In sommige velden staan al kleine armoedige bosjes, verwaarloosde houtwallen en rommelhoekjes die geen enkele dekking meer bieden. Hier kan men met goed onderhoud vaak weer voor het wild zeer aantrekkelijke stukjes van maken..
-     Het in overleg met de eigenaren beheren en onderhouden van bestaande houtopstanden. Vaak zijn groenelementen gelegen binnen het bezit van een boerenbedrijf. In overleg met de eigenaren kunnen hier zeer nuttige maatregelen genomen worden. Ook zijn veel beplantingen eigendom van de overheid (gemeente of waterschap). Deze instanties zijn vaak graag bereid om het beheer hiervan uit handen te geven (onder bepaalde voorwaarden uiteraard)., omdat ze daarmee in onderhoudskosten kunnen besparen.

Welke planten kunnen we gebruiken?


We zijn nu bij het punt gekomen dat we grond ter beschikking hebben, maar nog niet weten wat we er op gaan zetten. Voor een leek is dat niet eenvoudig om dat te bepalen. Daarom is het nuttig je oor te luisteren te leggen bij iemand met meer bosbouwkundig vernuft. Dat kan en kennis zijn of, indien je niet over dergelijke kennissen beschikt, iemand van Landschap Overijssel. Zij beschikken over de kennis en mensen die vragen gesteld kunnen worden.
Eventueel samen met de in de arm genomen adviseur gaan we nu eens kijken wat precies onze doelstellingen en mogelijkheden zijn. Hierbij komen weer een aantal vragen boven:
-    Voor welke wildsoorten willen we de biotoop verbeteren? Zoals we al gezien hebben stelt elke wildsoort zijn eigen eisen aan de biotoop. Het is inderdaad zeer zinvol hier rekening mee te houden.
-    Op wat voor soort grond gaan we planten? Niet elke plant wil op een bepaald type grond groeien. We moeten hiermee bij het te gebruiken plantmateriaal terdege rekening houden.


Als we deze vragen beantwoord hebben, kunnen we aan de hand van de tabel bepalen welke planten we kunnen gebruiken. In deze tafel staan van een aantal plantensoorten de bodemvoorkeur, welke wildsoort ermee gediend is, of hij schaduw verdraagt en of hij voedsel of dekking verschaft. In deze tabel staan niet alle soorten die bruikbaar zijn. Wellicht staan er in de omgeving andere soorten die in de biotoop passen of er thuis horen die bij voorkeur daarom ook gebruikt kunnen worden.

Niet elke plant afzonderlijk hoeft zijn nut te hebben. Het is goed om afwisseling in een beplanting aan te brengen (in hoogte, in dichtheid) zodat er vele verschillende microklimaten ontstaan, hetgeen ten goede komt aan de soortenrijkdom van kruiden en prooidiertjes. Dit kan bijvoorbeeld bereikt worden door hier en daar een plant neer te zetten die boven de rest uit groeit, of door juist een stukje met alleen maar zeer laag groeiende planten te beplanten.
Belangrijk is het om plantgoed te gebruiken wat inheems is, floravervalsing, hoe goed ook voor de fauna, moet voorkomen worden. Ook moet rekening gehouden worden met het feit, dat sommige soorten zich sterk verspreiden door worteluitlopers of vruchten of zaden en zo aangrenzend boerenland overwoekeren. Dit zal geen aangrenzende boer waarderen.

Nu we weten waar we gaan planten en welke planten we kunnen gebruiken komen er weer een drietal vragen op:
-    Hoeveel plantmateriaal heb ik nodig?
-    Waar haal ik het plantmateriaal vandaan?
-    Hoe kan een en ander bekostigd worden?
We zullen beginnen met het beantwoorden van de laatste vraag.

De beschikking over een bijdrage in de kosten.

Subsidiemogelijkheden voor de aanleg van bijvoorbeeld kleine landschapselementen zoals deze beplantingen genoemd worden, zijn momenteel zeer beperkt. Soms kennen gemeenten lokale regelingen waarvan tijdelijk gebruik gemaakt kan worden, maar meestal is de provincie het aanspreekpunt voor financiële ondersteuning. De provincie Overijssel heeft besloten de uitvoer en coördinatie van financiële regelingen wat landschapsbeheer en –onderhoud te laten uitvoeren door Landschap Overijssel. Op zowel de website van de provincie, www.overijssel.nl als op de website van Landschap Overijssel,   is de actuele informatie te vinden.

Hoeveel plantmateriaal heb ik nodig?
Indien het gat om beplanting van zeer kleine oppervlakten of het op- of aanvullen van bestaande beplantingen, houtwallen en dergelijke is het niet zo moeilijk om te bepalen hoeveel plantmateriaal we nodig hebben. Met een beetje rondkijken en tellen is deze vraag zo beantwoord. Als er sprake is van aanleg van grotere beplantingen (mogelijk naast het eerste) dan heeft het zin om een beplantingsplan op te (laten) stellen. Aan de hand van dit plan kun je bepalen hoeveel plantmateriaal benodigd is. Hierbij moet er rekening mee gehouden worden dat er voor biotoopverbeterende maatregelen ruim gepland moet worden (afhankelijk van de gebruikte soorten ongeveer 1,5 m tussenruimte), zodat er bodembegroeiing van kruiden kan ontstaan (deze mag echter niet de jonge aanplant overwoekeren).
In het beplantingsplan moeten ook de voorbereidende   werkzaamheden worden meegenomen. In sommige gevallen moet eerst het onkruid verwijderd worden of er moet worden gefreesd, in andere gevallen, zoals bijvoorbeeld op een oud zandpad, moet er geploegd worden, soms kan er volstaan worden met het maken van plantgaten (bijplanten in een houtwal). Daarnaast is het, indien we niet op bouw- of weiland werken, zeer nuttig van te voren wat te bemesten.
Bij de planning kunnen we aan verschillende vormen van beplanting denken, afhankelijk van de mogelijkheden die de beschikbare grond ons biedt. We kunnen bosjes planten op stukjes grond van voldoende breedte, of wallen als de breedte minder wordt.  In alle gevallen verdient het aanbeveling om afwisseling aan te brengen in de beplanting. 

Waar halen we het plantsoen?

 Nu weten we alweer wat meer, maar nog niet waar we het plantmateriaal vandaan halen. Het antwoord hierop is simpel, we halen het bij een kweker. Het te planten materiaal kan het beste twee jaar oud zijn. Het is belangrijk om te letten op de grondsoort waarop de kweker werkt. Liefst is dit dezelfde als die waar de planten naartoe moeten, dis vergroot namelijk de kans dat het plantsoen goed aanslaat. Sommige plantesoorten, zoals bijvoorbeeld de bosbraam, hoeft men helemaal niet bij een kweker te halen. Men kan gewoon bewortelde uitlopers van de planten afsteken en deze weer planten.

Het aanplanten

Over de ideale tijd van planten zijn de meningen verdeeld. Onze voorkeur gaat toch uit naar het najaar, vanaf begin november tot het moment waarop de grond bevriest. Het plantmateriaal kan het best direct na levering gepland worden. Bij tijdige bestelling kan het materiaal vaak op afroep geleverd worden, zodat het planten inderdaad onmiddellijk kan gebeuren. Is dit niet zo, dan moet het plantmateriaal opgekuild worden totdat wel tot het planten kan worden overgegaan. Hiertoe graven we een brede sleuf oost-west richting, waar het zand aan de zuidkant van de sleuf wordt neergelegd inde vorm van een walletje. Het plantmateriaal wordt nu losgemaakt en goed uitgespreid met de wortels onder in de sleuf tegen het aarden walletje gelegd. Aan de noordzijde wordt een tweede sleuf gegraven, het zand gedeponeerd en lichtjes aangedrukt. De wortels dienen daartoe goed van de lucht afgesloten te worden, om bevriezing te voorkomen. Het verdient aanbeveling om middels een rastertje te zorgen dat het wild de opgekuilde planten niet alvast even komt proeven.  Indien het planten niet in het najaar kan gebeuren, dan kan het in het voorjaar onmiddellijk nadat de vorst uit de grond is.

Als we aan het planten gaan, halen we maximaal zoveel materiaal van de kuilplaats als we in een uur kunnen planten. Leg de struiken uit op de plaats war je ze wilt planten, op een afstand van ongeveer 1,50 m. Doornige struiken aan de buitenkant. Sommige planten zoals bijvoorbeeld hulst planten we in groepjes van drie stuks. We maken een plantgat waar de wortels vrij in kunnen hangen. Daarna vullen we dit met losse grond, waarbij we zorgen dat de grond goed tussen de wortels komt . De struiken worden niet dieper gepland dan ze op de kwekerij stonden. Na opvullen van het plantgat wordt de grond licht aangetrapt. Na het planten is het aan te raden een raster of draad langs de beplanting te zetten, zodat het veel er niet bij kan.

Beheer van de beplantingen


Als de planten een tijdje staan zal het onkruid flink opkomen. Indien het de aanplant dreigt e overwoekeren maai het dan rond de struiken. Verwijder het niet helemaal, we willen tenslotte de biotoop verbeteren. Pas wel op het dat onkruid niet over het aangrenzende cultuurland woekert, dar is geen boer blij mee. In het najaar gaan we inboeten.  Struiken die niet zijna aangeslagen verwijderen we, de opengevallen plaatsen worden opnieuw beplant. Indien van een soort de meeste struiken niet aanslaan, plant hier dan een andere soort voor terug, mogelijk past deze beter.
Ten slotte rest ons wat de beplantingen betreft nog één ding, beheer, onderhoud en nazorg. Kleine bosjes kunnen, wanneer deze zijn doorgegroeid, het best worden teruggezet in het geval de bomen nog een doorsnede van ongeveer 20 cm hebben. Deze lopen dan weer uit wardoor ze we het karakter van hakhoutbosjes krijgen. Dunnere takken bij voorkeur in bundels, kun je in het bos achterlaten als dekking en knabbelhout. Het afzagen gebeurt enigszins schuin naar buiten, zodat er geen water op en in de stronken blijft staan.

Voor een singel en houtwal kan, tot op zekere hoogte, hetzelfde gebeuren. Daarnaast moeten we hierbij zorgen voor een afrastering op ten minste een meter afstand van het wallichaam, zodat het vee dit niet meer kan vertrappen. Indien in wallen, singels of bosjes kale plekken zijn ontstaan dan kunnen deze weer ingepland worden, bij voorkeur met planten die de schaduw van de beplanting in de omgeving kunnen verdragen.

Bij kapwerkzaamheden moeten we wel met enig overleg te werk gaan: knotbomen blijven bij voorkeur gespaard, alleen te zware takken worden verwijderd. Daarnaast is het zaak om gefaseerd te werken. We moeten niet in één keer een heel bosje tegelijk terugzetten, maar bijvoorbeeld in drie jaar tijd, elk jaar een derde deel, zodat niet de hele biotoop in één klap veranderd. We kappen ook niet altijd alle bomen. Hier en daar (10%) laten we er één staan, hetgeen de landschappelijke waarde van het geheel zeker ten goede komt.

Het gesnoeide materiaal  moet men niet allemaal opruimen. Wat snoeihout dat langs de kanten ligt is vaak een goede dekking en voedselbron. Je moet, om problemen te voorkomen, niet vergeten een kapvergunning aan te vragen of een kapmelding te doen bij de gemeente, voor je aan het werk gaat.

Het aanleggen en onderhouden van wildakkers ten behoeve van kleinwild.

Inleiding
In de informatie hiervoor hebben we een methode gezien om het wild meer dekking, beschutting en voedsel te bieden. Deze methode is echter niet in alle gevallen toepasbaar of toereikend. Er zijn velden waar geen plekje te vinden is dat beplant kan worden, zodat het wild na de oogst over een kale, troosteloze vlakte kijkt, waar niets van haar gading te vinden is. Ook in hoge bossen die onder geheel kaal zijn doordat  in de zware schaduw niets meer groeit heeft het wild het moeilijk. Op plaatsen waar het niet mogelijk is een vaste beplanting neer te zetten kan de in dit hoofdstuk beschreven wildakker een oplossing zijn.

Hetgeen we willen bereiken met het aanleggen van een wildakker is eigenlijk weer hetzelfde als met een beplanting: het verhogen van de draagkracht van een bepaald gebied door een beschikbare hoeveelheid dekking en/of voedsel te verhogen.

Op welke grond kunnen we een wildakker aanleggen
Indien we willen overgaan tot het aanleggen van een wildakker is een eerste vereiste dat we beschikken over grond waarop de aanleg plaats kan vinden. Hierdoor liggen vier mogelijkheden voor de hand
-    Het pachten van een stuk cultuurgrond. Dit is over het algemeen niet eenvoudig, de meeste cultuur is in gebruik en een boer zal niet altijd zo maar een stuk willen of kunnen missen.
-    Het pachten of aankopen van stukjes braakliggend terrein,  overhoeken e.d.
-    Stukjes braakliggend terrein, overhoeken, bermen, slootkanten e.d. met toestemming van de eigenaar in gebruik nemen (eventueel tegen een vergoeding).
-    Het is overleg met de pachter/eigenaar gebruiken van cultuurgronden in perioden dat deze normaliter braak zouden liggen.

Stoppelgewassen
Het is vooral deze laatste mogelijkheid die erg interessant is, daar deze zich vrijwel overal voordoet. Het inzaaien van een mengsel met stoppelgewas heeft ook voor de boer voordelen. Daarom is het over het algemeen niet zo moeilijk om met de boer tot overeenstemming te komen. Voor het wild is het natuurlijk wel noodzakelijk dat de stoppel tot in maar of april blijft liggen, dus het gewas dat erna op het perceel verbouwd moet worden moet een gewas zijn dat pas in het voorjaar wordt gezaaid.

Er bestaan inmiddels beproefde mengsels die niet alleen goed zijn voor het wild en de overige fauna, maar ook nog eens de vruchtbaarheid van de bodem verbeteren. In de tabel staat hierover meer informatie.   



Indien we met een boer tot overeenstemming kunnen komen, zal ook hij kunnen vertellen welke gewassen op de betreffende grondsoort bruikbaar zijn en bovendien welke voor hem het meest interessant zijn als voorgewas. Het is aan te raden om mengsels van die gewassen te gebruiken. Vaak zijn het oude, reeds bijna vergeten landbouwgewassen die gebruikt kunnen worden als biotoopverbeterend gewas.

De andere drie mogelijkheden om aan grond te komen zullen minder veelvuldig voorkomen. Zij bieden echter heel andere mogelijkheden, omdat in deze gevallen we het gehele jaar over de grond kunnen beschikken. Afhankelijk van de omstandigheden, doelstellingen en andere factoren kunnen we deze gronden op drie manieren gebruiken welke nu omschreven zullen worden.

De extensieve wildakker
Met een extensieve wildakker bedoelen we een wildakker waar gewassen op staan die niet jaarlijks opnieuw gezaaid hoeven te worden, maar die meerdere jaren kunnen blijven staan. Het enige onderhoud dat gepleegd moet worden is in dit geval af en toe bemesten. De extensieve wildakker is dus alleen bruikbaar op gronden waarover we meerdere jaren achtereen kunnen beschikken.

Om een extensieve wildakker kunnen we o.a. de volgende gewassen zaaien (na bemesten en eventueel bekalken van de grond)
-    Klaversoorten
-    Luzerne
-    Brem
-    Boheemse struikrogge
-    Doorlevende zoete lupinen
-    Aardperen (tominamboers)
-    Bladkool
-    Winterkoolzaad
Tussen luzerne kunnen ook allerlei goede grassoorten gezaaid worden. Ook tussen brem kunnen wintervaste grassoorten gezaaid worden, b.v. 80% fijnbladig schapegras met 10% brem. Aardperen worden 1 meter tot 1,50 meter hoog. Hoewel het blad afvalt vindt het kleinwild er toch dekking gedurende de winter. Bovendien zijn de knollen gewild voedsel voor hazen, konijnen en fazanten. Door de hoogte en dichtheid is het niet zinvol om hier andere gewassen te zaaien.

De intensieve wildakker
Een intensieve wildakker is een wildakker die wel jaarlijks ingezaaid dient te worden. Omdat de winter en het voorjaar voor het wild de moeilijkste periode is, ligt het voor de hand dat we zorgen dat dan op onze akker dekking en voedsel aanwezig is. Hiertoe kunnen we die maatregelen nemen die al eerder beschreven zijn `bij de informatie over stoppelgewassen. Het grote verschil is nu echter dat we het niet als voorgewas voor de boer hoeven te verbouwen (dit kan alleen als de boer een gewas wil gaan verbouwen dat pas in het voorjaar gezaaid wordt, terwijl het ervoor verbouwde gewas in de zomer geoogst moest worden), zodat we de stoppel lang kunnen laten liggen, en elk jaar op het betreffende stuk grond over een wildakker kunnen beschikken.

Indien het probleem van dekking en voedsel in winter en voorjaar niet zo groot is, kan met ook in oktober of november bijvoorbeeld winterrogge zaaien. Dit gewas, dat in juli/augustus geoogst wordt, is altijd zeer intrek bij het wild. Het ree vertoeft er vaak in en de fazant en patrijs nestelt er graag. Het grootste profijt van en perceel rogge wordt getrokken als we niet alle insecten en onkruiden kapot spuiten, maar hierover volgt verder op meer informatie. Het is overigens ook mogelijk na het oogsten van de rogge weer het stoppelgewas in te zaaien. Dit houdt dat wel in dat we het volgend jaar geen rogge kunnen verbouwen, want we willen de stoppel ten slotte tot in het voorjaar laten staan (op een groot perceel kunnen we natuurlijk ook afwisselen, het ene jaar de ene kant met rogge en de andere kant met stoppelgewassen, het volgende jaar omgekeerd)

De wildweide

Een wildweide is vooral van groot nut op plaatsen waar het wild voedsel kan vinden. Hij levert geen dekking. Vooral in een bosgebied zijn vaak goede mogelijkheden voor het aanleggen van wildweiden, die dan vooral ten goede komen aan ree en konijn.

Het verschil tussen een wildweide en een extensieve wildakker is in feite niet groot. Een wildakker biedt echter naast voedsel ook dekking. In de praktijk zijn de wildweiden en de extensieve wildakker vaak op dezelfde plaatsen toepasbaar. Het mooist is het uiteraard weer indien de weiden die we aanleggen verspreid door het veld liggen. Het hoeven maar kleine stukjes te zijn (beter 10 stukjes van 3 are dan 1 stuk van 30 are).

Geschikte plekken voor het aanleggen van een wildweide zijn bijvoorbeeld brandlanen, weinig of niet gebruikte zandwegen, wegbermen en kleine open plekjes. Hierop kunnen we mengsels van goede grassen en klavers zaaien. Geschikte mengels voor het zaaien of in het najaar of in het voorjaar zijn verkrijgbaar via Stichting Beheer Natuur en Landelijk gebied (www.sbnl.nl). Deze zijn ontwikkeld en worden geleverd door Hofman natuurzaden (www.hofmanap.nl). Belangrijk is het om een mengsel te kiezen dat bij de bodem, groeiomstandigheden en de bestaande flora en fauna past. Het zaaien van onkruidmengsels geeft een perfecte biotoop, maar mag nooit gebeuren in de buurt van boerenland. Ook het gebruikmaken van exoten in mengsels is sterk af te raden om floravervalsing te voorkomen. Gebruik daarom nooit mengsels van vogelvoer bestemd voor wintervoedering of voor volièrevogels!

Het creëren van een waterwildbiotoop.


Inleiding
Nederland is een waterrijk land. Er zijn tal van kleine riviertjes, beken en sloten waar het waterwild het zeer naar de zin kan hebben.

Aanleg  en beheer van een poel
Een poel in het boerenland, midden in een perceel of aan de rand is een bron van leven voor de natuur maar kan ook de boer voordeel opleveren. Dit vooral als er sprake is van een natte stuk in het perceel als gevolg van kwel of bijvoorbeeld een ondoorlaatbare bodemlaag. Het vee kan ook drinken uit een poel. Uiteraard geldt dit ook voor een natte plek in een bosperceel. Het ongewenste water verzamelt zich zo op één plek wat de verdere bedrijfsvoering ten goede komt.

Voor de aanleg van een poel is vaak een vergunning nodig van de gemeente. Echter bestaan er soms ook mogelijkheden voor een aanleg- en/of beheersubsidie. Nadere informatie hierover is te vinden op de website van de provincie, www.overijssel.nl.

Als er een geschikte locatie gevonden is, is het wenselijk dat de doorsnede van de poel met randen zeker 20 meter bedraagt, groter hoeft niet. Het diepste punt moet zeker 1,5 meter onder het maaiveld liggen, het liefst zou de poel in droge tijden ook nog wat water moeten bevatten. Wanneer een poel korte tijd droog valt in de zomer, hoeft dit geen probleem te zijn, hierdoor kunnen zich geen vissen handhaven in de poel en kunnen zo geen bedreiging vormen voor amfibieën en reptielen. Het is belangrijk dat de oevers flauw aflopen (1:10). Aan de noordkant moet de oever flauw zijn, zo wordt zonnewarmte vastgehouden waar amfibieën van profiteren. Een poel met grillige oevers ziet er niet alleen mooier uit, maar zorgt ook voor drassige stukken. Juist een rand met slik biedt vooral weidevogels zoals de grutto en wulp een belangrijke voedselbron in het boerenland. Na verloop van tijd zal een poel dichtslibben en (deels) weer uitgebaggerd moeten worden.

Beplanting op de oever
De beplanting moet dienen voor dekking, beschutting en nestgelegenheid. Een vorm van beplanting die het erg goed doet in het vochtige milieu langs de waterkant is een rietbeplanting.

Riet is vrij gemakkelijk te planten. Je kunt plaggen van15x15x15 cm steken en deze op de gewenste plaats aanplanten. In de plaggen moeten dan wortelstokken (vingerdikke ondergrondse uitlopers) zitten, die voor een nieuwe rietopslag zorgen. Ook kun je jonge, groene stengels in goed gewerkte grond zetten. Hiertoe maak je met een stuk betonijzer gaten in de grond, waarin je de afgesneden stengels plaatst. Er moet dan wel tenminste een knop inde stengel ondergronds terecht komen, wan hieruit moeten de wortels uitgroeien. Riet is een plant die veel licht nodig heeft. Het moet daarom op onbeschaduwde plaatsen staan.

Het is voor eren rietveld goed om in april, als er in het veld al weer enige dekking te vinden is, afgemaaid te worden. Hierdoor lopen we niet het risico dat een rietveld in het midden hol wordt door gebrek aan licht. Riet dat in het water staat (het groeit tot in 50 cm diep water) moet op 20 cm boven het wateroppervlakte afgemaaid worden, zodat er geen water in de holle stengels kan lopen.

Een andere beplanting die het goed doet op de vochtige waterkant is het griendbosje. Bij de aanleg van griendstroken gebruikt men stekken (stukken eenjaars hout m et een lengte van 30-35 cm) van diverse wilgensoorten. Zeer geschikt zijn voor de waterkant de waterwilg (salix caprea), de geoorde wilg (salix aurita) en de amandelwilg (salix triandra). De stekken kunnen al in februari worden gesneden en, in afwachting van het uitplanten, half ingegraven in de grond bewaard worden, bij voorkeur aan de noordkant van een muur om het uitlopen te vertragen. Op de plaats van bestemming worden de stekken dan tenminste 15 cm diep in rijen in de grond gestoken, waarbij één of twee ogen boven de grond uit moeten steken. Hieruit loopt de stek dan uit. Men kan overigens ook griendbosjes op drogere gronden (niet op  hele droge) aanleggen. Hiervoor gebruikt men bij voorkeur de grauwe wilg (salix cinerea), de kraakwilg (salix fragilis) of de katwilg (salix viminalis). Griendstroken of –bosjes moeten minstens 5 meter breed zijn.
Als het griendhout na twee of drie jaar te hoog is geworden, dan moet afgeslagen of gesneden worden. Tijdens het volgende groeiseizoen komt het dan weer op. Het kappen of snijden gebeurt in de winter. He is natuurlijk niet verstandig om in een winter alle grienden af te snijden, om niet ineens alle dekking weg te nemen.  Wat dood hout in stapels achterlaten, eventueel met wat strooisel van andere planten kan broeihopen laten ontstaan waar zich amfibieën maar ook ringslangen zich thuis voelen.

De riet- en griendbosjes zijn niet alleen een geschikte biotoop voor eenden. Ook andere Nederlandse wildsoorten zul je er veel in terug vinden, zoals zangvogeltjes, kleine zoogdieren, insecten en amfibieën.

Ook kunnen andere dekkingen, zoals eerder omschreven, een geschikte biotoop vormen langs de waterkant.
Het is, om de broodnodige afwisseling te verzorgen, ook nuttig om langs de waterkant wat andere oeverplanten te zaaien of in te planten. Zij kunnen dienen als voedsel (de plant zelf, of de zaden ervan), als waardplant voor allerlei insectensoorten of gewoon als verfraaiing van het geheel. Soorten die van  nature langs het water voorkomen zijn hiervoor geschikt.

Beplanting in het water.
Niet alleen oeverplanten zijn van belang, ook planten in het water spelen een belangrijke rol voor de fauna. Deze planten leveren namelijk ook voedsel, zowel direct (de plant zelf wordt gegeten) als indirect (rond de plant leven allerlei kleine diertjes die worden gegeten).  Vooral op ondiepe plekjes in het water zoekt het waterwild voedsel.
Niet alle planten groeien in elk type water. Voor de meeste planten is het een vereiste dat het water niet te diep is, ook hier geldt dus weer dat de aanleg van ondiepe plekken zeer nuttig is. Ook geldt in het geval van waterplanten natuurlijk weer dat het het eenvoudigste is om te kijken wat er al in de omgeving aan waterplanten voorkomt. Deze voelen zich in de gegeven omstandigheden thuis. In geen geval mogen exoten uit de tuinvijver of van een tuincentrum gebruikt worden. Floravervalsing met waterplanten kan verregaande gevolgen hebben voor de inheemse flora, fauna en waterhuishouding!

Invloed op het gebruik van bestrijdingsmiddelen.


De biotoop, waar ondertussen al het nodige over geschreven is, wordt in Nederland nagenoeg overal gevormd onder invloed van ons handelen, ongeacht of dit de landbouw is of onze infrastructuur. We hebben gezien hoe wij zelf op een actieve manier bezig kunnen zijn met de biotoop, maar hoe we het ook draaien of keren, het is vooral de landbouwer die er dagelijks in aan het werk is, en er veel verandering in aanbrengt. Hij doet dit niet omdat hij de biotoop wil veranderen, nee, hij voert een bedrif, en doet dat op de manier welke het bedrijfsvoeren het meest rendabel maakt. Zijn interesse in fauna en jacht is vaak zijdelings. Het blijft echter een feit, dat ook de boer  heel goed in staat is de biotoop te verbeteren, en het zou jammer zijn als we niet zouden proberen om samen te werken. Een goede verstandhouding met de boer is hierbij van vitaal belang, waarbij de jager voortdurend in  het oog moet houden dat de boer een bedrijf voert.

Het is al jaren bekend, dat patrijzenkuikens de eerste weken van hun leven uitsluitend leven van insecten. Dit geldt ook voor de kuikens van andere hoendersoorten zoals fazanten en korhoenders die afhankelijk zijn van het aanbod van insecten tijdens de eerste levensfase. Door het gebruik van insecticiden zijn er zeer weinig insecten, wardoor de keukens veel grotere afstanden moeten afleggen om hun maaltje bij elkaar te scharrelen, als ze het tenminste kunnen vinden. Hierdoor zijn ze veel kwetsbaarder.
an
Uit onderzoek is gebleken, dat het niet bespuiten met bestrijdingsmiddelen van randen van akkers tot een breedte van 6 meter een veel beter voedselaanbod oplevert voor akkervogels zoals patrijs, maar ook voor weidevogels. Op de opbrengst had het niet bespuiten van randen geen effect, zo bleek in vergelijking tot volledig bespoten percelen.
Met deze bevindingen in het achterhoofd kunnen we met de landbouwer overleg plegen over het gebruik van bestrijdingsmiddelen. Daarbij kunnen de volgende aspecten ter sprake worden gebracht.
-    Het is voor de fauna beter als de gebruikte bestrijdingsmiddelen specifiek op een schadeveroorzakende soort zijn afgestemd.
-    Spuiten kan men beter alleen wanneer een plaag dreigt, hierdoor gaat ook geen nutteloos ingezette middelen verloren wat de kosten voor de boer beperkt.
-    In houtwallen, singels en bosjes kunnen veel roofinsecten voor de natuurlijke bestrijding van insectenplagen zorgen
-    Langs watergangen mag vaak van het waterschap een hele strook niet bespoten worden, dit is ook geschikt voor het doorzaaien van de zogenaamde wildmengels zonder dat de totale opbrengst van het perceel hierdoor beïnvloed wordt.
Tegelijkertijd kan dan ook gesproken worden over andere zaken die de fauna ten goede komen, zoals het beheer van slootkanten of het bestrijden van landbouwschade.