Moeras- en watervogels



Aalscholver
Phalacrocorax carbo
 
Uiterlijk:
Lengte: 92 cm
Vleugellengte: 35 cm
Spanwijdte: 130-160 cm
Gewicht: 2000-2700 g
Biotoop:
De aalscholver leeft langs grote visrijke rivieren, lagunes en meren en langs de kusten.
Leefwijze:
Aalscholvers leven in kolonies in hoge bomen, die dikwijls afsterven doordat ze geheel bedekt worden met uitwerpselen van de vogels.
Voortplanting:
Aantal legsels: 1 per jaar
Aantal eieren: 3-4 lichtblauwe eieren
Broedperiode: april-juni
Broedduur: 23-30 dagen
Voedsel:
Aalscholvers eten 0,7-1kg voedsel per dag; dat voornamelijk uit vis bestaat.

De aalscholver heeft binnen het werkgebied onder meer een kolonie bij de Leemslagenplas. De aalscholver wordt dan ook overal op open water waargenomen. Vooral op de grotere (vis) vijvers binnen het werkgebied zijn de aalscholvers regelmatig te gast. Vanaf de hengelsportverenigingen bereiken de WBE hierover dan ook klachten.


Blauwe Reiger
Ardea cinerea
 
Uiterlijk:
Lengte: 90 cm
Vleugellengte: 45 cm
Spanwijdte: 175-195 cm
Gewicht: 1000-1200 g
Biotoop:
De blauwe reiger houdt zich op bij plassen, meren, rivieren en sloten om te vissen, maar ook in nabijgelegen akkers en bomen.
Leefwijze:
Blauwe reigers uit Oost europa trekken ’s winters naar het westen en zuiden. De meeste andere trekken bij slecht weer naar de kust.
Voortplanting:
Aantal legsels: 1 per jaar
Aantal eieren: 4-5 blauwgroene eieren
Broedperiode: maart-mei
Broedduur: 25-28 dagen

De blauwe reiger komt overal voor. Bij de begraafplaats ’t Groenedael bevindt zich een kleine kolonie. Veel reigers zijn afkomstig vanaf een kolonie op landgoed Twickel (WBE Twickel).
Er komen meldingen binnen van overlast door reigers bij (vis) vijvers en weidevogelbeheerders door predatie op jonge weidevogels.

Boerengans
Anser anser forma domesticus
 
De Verwilderde Boerengans, ook wel de genoemd Soepgans, is een gedomesticeerde en weer verwilderde Grauwe Gans. Het broedproces van de Soepgans lijkt in veel opzichten op dat van de Grauwe Gans, alleen valt de broedperiode enkele weken later. Dit is vermoedelijk een gevolg van domesticatie van de vogels. Onder natuurlijke omstandigheden zijn bepaalde eigenschappen gunstig voor het voortbestaan van individuen, zoals vroeg in het seizoen broeden. Vroege paren hebben doorgaans de grootste legsels en hun jongen de grootste kans op overleving. Door kruising werd er positief geselecteerd op eigenschappen als smaak, groeisnelheid, donsproductie en aantal eieren, terwijl eigenschappen als broedaanvang van minder belang waren voor gedomesticeerde ganzen. Wel lijkt de reactie van de twee soorten op sturende factoren van het broedproces hetzelfde. In jaren dat het broedproces van de Grauwe Gans vroeg in de tijd lag, begonnen ook Soepganzen relatief vroeg met broeden. Dit had vermoedelijk te maken met de milde winters waardoor de ganzen in een goede conditie de winter uitkwamen. Ook de grasgroei in het voorjaar komt dan vroeg op gang waardoor de vogels al vroeg over eiwitrijk en makkelijk verteerbaar gras beschikken. Voor koude winters is het van Grauwe Ganzen bekend dat ze later beginnen met de eileg. Soepganzen lijken hetzelfde beeld te vormen. In Nederland trekken kleine aantallen Soepganzen op met Grauwe Ganzen. Onderling kunnen er hybriden voorkomen, maar ook met bijvoorbeeld de Kolgans, Indische Gans en Brandgans wordt er gekruist. De Soepgans is soms moeilijk te onderscheiden in het veld van de Grauwe Gans.
Uiterlijk:
Lengte: mn 82 cm en vr 70 cm
Vleugellengte: mn 46 cm en vr 44 cm
Gewicht: mn 3400 g en vr 3000 g
Biotoop:
De habitatkeuze van de Soepgans komt overeen met die van de Grauwe Gans. De soort bevindt zich voornamelijk in waterrijke landschappen waar deze foerageert op gras- en bouwland. Grote en kleine wateren worden gebruikt om te drinken, als toevluchtsoord en als slaapplaats. Toch worden regelmatig groepen waargenomen buiten deze gebieden, in drogere agrarische landschappen. Schijnbaar kunnen deze individuen met minder water overleven en reproduceren.
Leefwijze:
In het broedseizoen bevindt de Soepgans zich nabij water. Ze broeden soms tezamen met Grauwe Ganzen en gedragen zich overeenkomstig. Vanaf mei komen de eerste jongen uit en verschijnen samen met hun ouders op open water. Buiten de broedtijd verblijven Soepganzen nabij hun broedplaatsen en zullen zij zich niet snel verplaatsen. Als een vogel zich echter aansluit bij Grauwe Ganzen kunnen zij grote afstanden afleggen. Sommige gevormde broedpaartjes gaan niet tot broeden over maar verblijven wel het gehele seizoen op dezelfde locatie.
Ruiperiode:
Half mei - half juni
Broedwijze:
Semikoloniaal - koloniaal
Volgens het ministerie van LNV liggen de nesten zowel semikoloniaal als verspreid maar volgens J. Huber nestelen Soepganzen bij voorkeur in kolonievorm. In het Faunabeheerplan Zomerganzen Zuid-Holland wordt beschreven dat de Soepgans een semikoloniale tot koloniale broedvogel is.
Voortplanting:
Aantal legsels: 1 broedsel per jaar; nalegsel is mogelijk
Aantal eieren: 4-9 vuilwitte eieren
Broedduur: 28-29 dagen; broed begint als legsel compleet is
Broedperiode: eind maart - begin juni
Voedsel:
Het voedsel van de boerengans is plantaardig en bestaat overwegend uit grassen (o.a. graan) en wordt voornamelijk ’s nachts genuttigd.

Overal langs de Regge en de grotere zijbeken wordt de boerengans waargenomen.  Een grote concentratie vogels is al jaren aanwezig in de Leemslagen nabij het Twentekanaal Almelo, de waterplas aldaar en de Nieuwe Graven en in het Zuidbroek. Er is dan ook regelmatig sprake van aanzienlijke landbouwschade aan mais en graslanden. De binnen  het werkgebied aanwezige boerenganzen komen deels van buiten de WBE, maar zijn vaak nazaten ontsnapte tamme exemplaren van kleindierhouders of kinderboerderijen.
 
Brandgans
Branta leucopsis
 
Uiterlijk:
Lengte: ± 58 tot 70 cm
Spanwijdte: ± 120 tot 140 cm
Biotoop en leefwijze:
Het belangrijkste gebied voor de Brandgans is de Noordelijke Delta: de daar in 2005 getelde populatie besloeg ruim de helft van de populatieschatting voor geheel Nederland. Dit komt waarschijnlijk door de afwisseling aan eilanden die als broedhabitat dienst doen terwijl er gefoerageerd kan worden in de omliggende kort-begraasde graslanden, die zeer eiwitrijk zijn.
Broedplaatsen bevinden zich grotendeels op eilanden, maar in Nederland is dit minder strikt dan in eveneens recent gekoloniseerde broedgebieden in Estland en Zweden. Op eilanden zijn ganzen veilig voor landpredatoren zoals de vos. Landpredatoren zijn in Nederland minder van belang dan in deze noordelijke gebieden. Brandganzen die op het land broedden (Noord en Zuid-Holland) zaten veelal in weilanden tegen slootranden aan. Nesten van Brandganzen liggen, net als bij de Grauwe Gans, in besloten vegetatie (riet, struweel, moerasbos), maar worden daarnaast ook op kale (zand) grond aangetroffen.
Brandganzen foerageren vrijwel alleen daar waar kort gras beschikbaar is. Opgroeigebieden worden dan ook altijd begraasd door rundvee of halfwilde grazers. In de Noordelijke Delta bevinden Brandganzen zich tijdens de broedtijd (april-juni), in tegenstelling tot Grauwe Ganzen, vrijwel niet op binnendijks gelegen gras- of akkerlanden. Het korte gras, waaruit het dieet van de Brandgans bestaat, is namelijk voldoende voorhanden op de buitendijks gelegen schorren. Brandganzen hebben opgroeigebieden die over het algemeen verder van de broedplaatsen verwijderd liggen dan die van Grauwe Ganzen. Ondanks dat het grootste percentage in 2005 binnen 200 meter lag van het broedhabitat, kon incidenteel het opgroeihabitat meer dan 10 kilometer van het broedhabitat af liggen. Jongen zijn namelijk snel na het uitkomen van de eieren al in staat om zwemmend vele kilometers af te leggen.
Niet-broedende Brandganzen worden in de Noordelijke Delta vrijwel alleen waargenomen op buitendijks gelegen graslanden nabij water. Deze graslanden waren allen begraasd door halfwilde grazers. Pas als de rui is voltooid verplaatsen de vogels zich ook naar binnendijkse terreinen.
Omdat Brandganzen in het Deltagebied zich tijdens de rui in juli nabij open water bevinden en foerageren op korte vegetatie zijn zij, in tegenstelling tot Grauwe Ganzen, goed zichtbaar. In polders en binnenwateren kunnen de ganzen echter ook in het riet of andere lange vegetatie zitten, waardoor zij plaatselijk minder goed zichtbaar zijn.
Voortplanting:
Aantal legsels: 1 per jaar
Aantal eieren: 4-6 wit- of geelachtige eieren
Broedduur: 24-26 dagen
Broedperiode: begin april - eind juni
Brandganzen broeden in Nederland vanaf half april tot ver in juni. In het Deltagebied vindt de eerste eileg plaats omstreeks 10/11 april en de laatste eieren worden gelegd eind mei. Opmerkelijk aan de Brandganzen in het Deltagebied is de vroege start en de uitgestrekte periode van de broedcyclus. De in Nederland broedende Brandganzen blijken ruim een maand eerder te beginnen met de eileg dan hun soortgenoten in de Arctische broedgebieden
Voedsel:
Het voedsel van de brandgans bestaat uit gras, twijgjes, knoppen en zaden; ’s winters soms ook zeekreeftjes en weekdieren.

Brandganzen komen binnen het werkgebied slechts op enkele plaatsen voor, voornamelijk in en rond het Wierdense Veld. ’s Winters worden meer exemplaren, ook elders waargenomen.

Canadese gans
Branta canadensis
 
Uiterlijk:
Lengte: mn 99 cm en vr 94 cm
Vleugellengte: mn 49 cm en vr 47 cm
Gewicht: mn 4900 g en vr 4400 g
Biotoop en leefwijze:
De Canadese Gans komt vooral voor in gebieden met open water en graslanden, maar is in tegenstelling tot veel andere soorten ook in bosrijke gebieden te vinden. Canadese Ganzen begrazen graslanden en graangewassen zoals zomertarwe. De soort wordt regelmatig aangetroffen foeragerend met andere ganzensoorten, zoals Grauwe Ganzen, Brandganzen en Kolganzen. De Canadese Gans bouwt nesten op de grond, meestal zijn deze goed verscholen. Ook zijn er nesten op daken van gebouwen waargenomen. Wanneer nesten worden gebouwd in moerassige delen van veenweidegebieden (Zuid-Holland) of langs vennen (Brabant) worden graslanden in de omgeving gebruikt om te foerageren. Tijdens de rui verzamelen Canadese Ganzen zich in groepen. In de Delta gebeurt dit vaak op of nabij open water, terwijl omliggende kortgrazige graslanden worden gebruikt om te foerageren. In polders en binnenwateren kunnen de vogels zich echter ook verschuilen in het riet of lange vegetatie. In Noord-Nederland bevinden alle ruiplaatsen zich in gebieden met open water. Dit kunnen grote plassen zijn maar ook zandgaten of parkvijvers. Veel ruiplaatsen liggen op plekken waarvan bekend is dat er veel ganzen broeden.
Ruiperiode:
Begin juni- half juli.
Broedwijze:
Solitair - semikoloniaal
Volgens het Faunabeheerplan Zomerganzen Zuid-Holland broedt deze soort semikoloniaal en solitair. Volgens CLM Onderzoek en Advies is de Canadese Gans in Nederland geen koloniebroeder.
Voortplanting:
Aantal legsels: 1 broedsel per jaar
Aantal eieren: 4-6 geelachtig witte eieren
Broedduur: 28-30 dagen
Broedperiode: Begin april – half juni.
Voedsel:
Het voedsel van de Canadese gans bestaat uit grassen, moerasplanten en zaad, ook wel wormen en insecten.

Candese gansen worden binnen het werkgebied van de WBE regelmatig waargenomen en komen ook tot broeden. Deze zullen van oorsprong afkomstig zijn van ontsnapte tamme exemplaren als vogels die van elders zich  thuis voelen binnen de WBE.

Grauwe Gans
Anser anser
 
De Grauwe Gans heeft zich als broedvogel veelal gevestigd in de natte delen van Nederland. Op de Waddeneilanden worden ze echter ook gevonden in droge duinen. In de hogere delen van Nederland broedt deze soort in vennen, afgravingen en plassen en zelfs in gebieden die grotendeels door bos worden omringd. In de gebieden waar maar enkele paren broeden, gedragen de vogels zich zeer onopvallend. Habitatkeuze in het voorjaar hangt af van het feit of vogels tot broeden overgaan of niet. Ganzen die een nest bouwen zijn dan te vinden in moerassen en natuurlijke vegetaties. Niet-broedende vogels daarentegen zijn hieraan niet gebonden en kunnen overal op plekken met geschikt voedsel opduiken (in het voorjaar voornamelijk gras).
Grauwe Ganzen bouwen hoge nesten van riet indien aanwezig, anders kunnen nesten ook in een kuiltje in de grond liggen. Deze soort broedt minder vaak op eilanden dan Brandganzen. Eilanden worden vrijwel evenveel gebruikt als het vasteland, alhoewel nesten op het vasteland altijd in de nabijheid van water (rietkragen) liggen. Ook wordt er regelmatig gebroed op legakkers. Deze gebieden zijn allemaal minder toegankelijk voor vossen. Grauwe Ganzen broeden dus veelvuldig op beschutte plaatsen als in rietvelden, struweel en (moeras)bos. Door de ontoegankelijkheid van de broedgebieden en de teruggetrokken levenswijze tijdens de broedperiode is het lastig de populatieomvang van deze soort tijdens de broedperiode in kaart te brengen.
Het opgroeihabitat bestaat voornamelijk uit grasland. Het grootste deel van het opgroeihabitat grenst aan open water. Grauwe Ganzen met jongen geven de voorkeur aan kortgrazig grasland. Dit is van belang voor de groei van de jongen omdat het kortgrazige gras eiwitrijk is. Ganzenfamilies prefereren intensief gebruikt en het liefst bemest boerenland, omdat de overleving van jongen hierin relatief hoog is. Grauwe Ganzen die broeden in meer ruigere grasvegetaties brengen hierin doorgaans minder jongen groot. In Zeeuws-Vlaanderen worden ook percelen tarwe gebruikt als opgroeihabitat.
Niet-broedende vogels verblijven in het Noordelijke Deltagebied zowel op binnen- en buitendijkse graslanden als in percelen met graan of andere gewassen. Tijdens de rui bevinden grote aantallen zich vooral in buitendijkse gebieden. Zodra de vogels weer kunnen vliegen verplaatsen zij zich ook naar binnendijkse gebieden. In de Ooijpolder verblijven niet-broedende vogels (bij de afwezigheid van buitendijkse graslanden) relatief veel op boerengrasland. Aantallen niet-broedende Grauwe Ganzen op landbouwgrond zijn het grootst in mei, waarschijnlijk na het mislukken van nesten. Tijdens de rui in juni zitten de ganzen in de Ooijpolder voornamelijk op (natuur)grasland. Na de rui (tot half juli) zitten Grauwe ganzen ook veel op gras maar kan plaatselijk weer schade optreden in nog niet geoogste graanpercelen . In de Haarlemmermeer, waar vanaf begin augustus de oogst van graan op gang komt, foerageren Grauwe Ganzen vooral op juist geoogste percelen.
Concluderend kan er gesteld worden dat nesten van Grauwe Ganzen vooral in besloten vegetatie liggen, terwijl de opgroeigebieden juist open gebieden zijn. Desondanks foerageren veel Grauwe Ganzen tijdens de ruiperiode ook op riet en de vogels zijn dan minder goed waar te nemen.
Uiterlijk:
Vleugellengte: mn 82 cm en vr 70 cm
Lengte mn 46 cm en vr 44 cm
Gewicht 3400 g en mn 3000 g
Biotoop:
Grote stilstaande wateren met uitgestrekte rietbestanden, verlandingsgebieden en mondingsgebieden van rivieren.
Leefwijze:
Paarvorming vindt plaats als grauwe ganzen 1,5 jaar oud zijn, broeden doen ze pas op hun vierde jaar. De partners blijven levenslang bij elkaar en leven ook buiten de broedtijd bij elkaar.
Ruiperiode:
Eind mei - half juli
Broedwijze:
Semikoloniaal - koloniaal
Voortplanting:
Paartijd: eind februari-eind juni
Aantal legsels: 1
Aantal eieren: 4-8 witdoffe eieren
Broedduur: 27-29 dagen
Broedperiode: Eind februari - eind juni
In de uiterwaarden langs de Waal worden de eerste eieren half maart gelegd, met een piek rond begin april. In de Vechtplassen ten noorden van Utrecht gebeurt dit twee weken eerder. Volgens het CLM onderzoek en Advies loopt de broedperiode in Zuid-Holland van eind februari tot begin mei, maar late broeders beginnen pas in juni. In het Faunabeheerplan Zomerganzen Zuid-Holland wordt een broedperiode van begin maart tot eind juni aangegeven
Voedsel:
Het voedsel van de grauwe gans bestaat voornamelijk uit zachte groene plantendelen en wordt voornamelijk ’s nachts genuttigd.

Ook binnen het werkgebied van de WBE komen inmiddels op meerdere plaatsen grauwe ganzen als standvogels voor en komen ook succesvol  tot broeden. Vooral de combinatie schoon open water en goede voedselgronden hebben  hieraan bijgedragen. De stand is lokaal reeds zo, dat er regelmatig sprake is van landbouwschade aan gewassen.

Indische gans
Anser indicus
 
Uiterlijk:
Lengte: ± 68 tot 78 cm
Spanwijdte: ± 142 tot 186
Biotoop en leefwijze:
Indische Ganzen trekken op met andere ganzensoorten als de Grauwe Gans en Soepgans. De soort is voornamelijk gevestigd in het rivierengebied. Daar worden broedparen waargenomen in half open landschappen, zoals uiterwaarden met bosjes, struweel en moerassige vegetatie. Nesten zijn lastig te vinden: deze worden gemaakt op de grond en zijn verborgen in het rietmoeras of onder struikgewas . Langs de Lek broedt deze soort in kolonies op kribben en stuweilanden. Paren zijn honkvast.
Ruiperiode:
Half juni - eind juli
Broedwijze:
Semikoloniaal - koloniaal
De Indische Gans broedt zowel solitair als in kolonieverband en soms samen met andere soorten
In het natuurlijke verspreidingsgebied van de Indische Gans (China, Tibet en Mongolië) beginnen de vogels eind mei met de eileg. Het relatief milde klimaat in Nederland is waarschijnlijk de reden van de relatief vroege eileg die hier wordt waargenomen. Indische Ganzen kunnen zich aansluiten bij andere soorten zoals Grauwe Ganzen en Soepganzen. Ook kunnen kruisingen worden aangetroffen tussen Indische Ganzen en Grauwe Ganzen, Soepganzen of Brandganzen .
Voortplanting:
Broedperiode: Begin april - eind juni.
In Nederland begint de Indische Gans met de eileg vanaf begin april tot eind mei. De meeste jongen komen uit het ei in 4de week van mei. In Zuid-Holland valt de broedperiode in de maanden mei t/m juni
Voedsel:
Het voedsel van de Indische gans bestaat voornamelijk uit zachte groene plantendelen.

Regelmatig wordt de Indische gans op de grotere wateren in de WBE waargenomen, mogelijk zijn dit ontsnapte tamme exemplaren geweest van kleindierhouders of kinderboerderijen.

Knobbelzwaan
Cygnus olor
 
Uiterlijk:
Lengte mn 159 cm en vr 155 cm
Vleugellengte mn 61 cm en vr 57 cm
Gewicht: 10-20 kg
Biotoop:
Knobbelzwanen zijn te vinden in vijvers van parken en landgoederen. In het wild heeft hij voorkeur voor rustig of langzaam stromend water.
Leefwijze:
Knobbelzwanen vormen in de herfst paartjes en blijven hun hele leven bij elkaar. Vroeg in het voorjaar kiezen ze hun nestterritorium, dat door de mannetjes heftig wordt verdedigd.
Voortplanting:
Aantal legsels: 1 broedsel, nalegsel mogelijk
Aantal eieren: 4-7 wit tot grijsgroene eieren
Broedtijd midden april-juni
Broedduur: 35-38 dagen
Voedsel:
Het voedsel van de knobbelzwaan bestaat voornamelijk uit water- en moerasplanten.

Overal komen knobbelzwanen voor binnen het werkgebied van de WBE in soms grotere concentraties. Zowel in de landbouwgebieden, het platteland, als op vijvers en beken in de kernen.  Door begrazing en vertrapping veroorzaken deze vogels regelmatig schade aan landbouwgewassen. Populatiebeheer binnen de WBE "West-Twente” is niet mogelijk.
 
Kolgans
Anser albifrons
 
Uiterlijk:
Lengte: mn 70 cm en vr 65 cm
Vleugellengte mn 42 cm en vr 40 cm
Gewicht mn 2500g en vr 2300 g
Biotoop en leefwijze:
De kolgans overwintert veelal in grasvelden in een waterrijke omgeving, zoals die in het rivierengebied en in Zuidwest-Friesland. Daar komen ook enkele paren tot broeden. In Olburgen zijn in 2008 succesvol broedende ganzen gevonden op een schiereiland. Het ging hier om een kolonie van bijna 40 broedparen. Vegetatie rondom het nest bleek vrij hoog: rond de 1 meter omstreeks eind mei. Sommige Kolganzen overzomeren in Nederland maar gaan niet tot broeden over. In Olburgen verbleven deze niet-broeders (of niet succesvolle broedvogels) in maart en april nog in het broedgebied, maar een groot deel hiervan vertrok in de loop van mei naar andere gebieden. Overwinterende en doortrekkende Kolganzen foerageren in Nederland voornamelijk op grasland. Ook zijn de ganzen in de winter lokaal te vinden op bouwlandpercelen. Over opgroeihabitat in de zomer is echter weinig bekend. In Olburgen waren het broed- en opgroeigebied duidelijk gescheiden. De afstand tot het broedgebied varieerde van 800 meter tot 2,5 kilometer. Alle foeragerende families werden waargenomen op korte afstand (10 meter) van het water.
Ruiperiode:
Juni - begin juli
Broedwijze:
Semikoloniaal - koloniaal
Van der Jeugd et al. gaf in 2006 aan dat de Kolgans als broedvogel in Nederland nog schaars was en meestal ging het om solitaire of enkele broedparen. In 2008 constateerde Schoppers dat de nesten geconcentreerd lagen: de tussenliggende afstand betrof soms slechts enkele meters.
Voortplanting:
Aantal legsels: 1
Aantal eieren: 4-6 witte eieren
Broedduur: 27-28 dagen
Broedperiode: Begin april - half juni
Uit een onderzoek naar broedende Kolganzen bij Olburgen (provincie Gelderland) werd het eerste ei gevonden op 1 april. Het hoogst aantal nesten werd geconstateerd eind mei en de broedperiode liep tot half juni. In Zuid-Holland valt de broedperiode tussen eind april en begin juni.
Voedsel:
Voornamelijk zachte groene plantendelen, maar ook zaden.

Binnen het werkgebied van de WBE komt de kolgans voornamelijk nog voor als wintergast. De verwachting is, dat zich in navolging van de grauwe gans deze gans zich zal gaan vestigen doordat de biotoop en voedselaanbod, met name in  retentiegebieden in combinatie met landbouwgebieden gunstig is.
 
Meerkoet
Fulica atra
 
Uiterlijk:
Lengte 38 cm
Vleugellengte 22 cm
Gewicht 800 g
Biotoop:
De meerkoet leeft in water met enige oevervegetatie, zoals plassen, meren, rivieren, grachten en brede sloten.
Leefwijze:
In de winter vormen meerkoeten grote groepen op meren, rivieren en zeekust. In maart keren ze terug naar hun broedgebied, waar ze in paartje leven.
Voortplanting:
Aantal legsels: 1-2 legsel per jaar
Aantal eieren: 5-9 geelgrijze, zwart gespikkeld
Broedtijd: april-juni
Broedduur: 21-24 dagen
Voedsel:
Het voedsel van de meerkoet bestaat uit groene delen en zaden van waterplanten en grassen en kruiden.
De meerkoet komt het hele jaar door overal binnen het werkgebied van de WBE voor, waarbij in de wintermaanden de grootste concentraties zich voor doen bij open water en daar waar gevoerd wordt. Met name komt de meerkoet veel voor in vijvers van parken en plantsoenen. Schade wordt met name in de wintermaanden gemeld aan winterrogge en maiskuilen.

Nijlgans
Alopochen aegyptiaca
 
Uiterlijk:
Lengte: 66-71 cm
Spanwijdte: 110-130 cm
Gewicht: 1.5-2.3 kg
Biotoop en leefwijze:
De Nijlgans wordt gevonden in een groot aantal biotopen. De vogel geeft de voorkeur aan gebieden met een afwisseling aan water, bos en grasland tegenover zeer open en minder gevarieerde gebieden. Alleen in gebieden met grootschalige akkerbouw waar plassen en graslanden schaars zijn, wordt deze soort nauwelijks waargenomen (bijv. Flevoland) of is deze beperkt tot buitendijkse gebieden en binnendijkse kreken met moerasontwikkeling langs de oevers (Zeeland). Overdag bevinden Nijlganzen zich doorgaans op een oever, terwijl zij tegen de avond vertrekken naar een foerageergebied tot op enkele kilometers van de plassen. De nacht brengen zij niet in het voedselgebied door.
Ook de Nijlgans broedt in de nabijheid van water. In de Noordelijk Delta worden broedgevallen bijvoorbeeld vooral langs grotere wateren en voormalige kreken vastgesteld. Nijlgansen nestelen doorgaans op de grond (in gebieden met geringe predatiedruk), in dichte vegetatie of onder struikgewas. Maar de keuze voor een broedplaats kan zeer flexibel zijn: nesten worden ook gevonden in oude boomnesten van roofvogels, kraaien of reigers, in boomholten, op hoogspanningsmasten en op gebouwen tot 60 meter hoogte.
De Nijlgans is een territoriale soort. Het foerageren en grootbrengen van de jongen vindt plaats binnen een broedterritorium, dat met ongeveer 1 hectare vrij groot is. Zij blijven rond de broedplaats vaak tot ver in het najaar. Niet-broedende vogels of niet succesvolle broedvogels verzamelen zich in juli in ruigroepen in de nabije omgeving van water. Deze verlaten zij weer in augustus/september. Nijlganzen behouden hun vliegvermogen tijdens de rui. Omdat er in Noord-Afrika, het oorspronkelijke leefgebied van de Nijlgans, naast landpredatoren ook grote waterpredatoren (krokodil) een bedreiging vormen is de mogelijkheid om te kunnen blijven vliegen erg belangrijk. Nijlganzen zijn dus niet zo kwetsbaar als ganzen, die tijdens de slagpenrui niet kunnen vliegen en zich terugtrekken in ontoegankelijke gebieden.
Ruiperiode:
Juli (piek) - augustus
Broedwijze:
Solitair
De Nijlgans is een territoriale soort en dus geen koloniebroeder .
In Europa hebben de meeste ganzen een relatief kort broedseizoen. Gemiddeld ligt er 2-3 maanden tussen de vroegste en latere broeders. Het broedseizoen voor de Nijlgans is daarentegen veel uitgestrekter. Data van de eerste eileg kan variëren met meer dan 6 maanden. In tropisch Afrika kan deze soort het hele jaar door broeden, maar het merendeel broedt vlak voor het regenseizoen zodat genoeg voedsel beschikbaar is wanneer de jongen uitkomen. In gebieden met één regenperiode is er gewoonlijk ook maar één piek in broedaantallen, in gebieden met twee regenperioden worden er ook twee pieken waargenomen. Lensink (1999) suggereert dat de Nijlgans in Europa zich vergelijkbaar gedraagt als zijn soortgenoten in Afrika. De Nijlgans broedt wanneer de omstandigheden gunstig zijn en in Europa benut deze soort dus buiten de winter om elke kans om te broeden.
Voortplanting:
Aantal legsels: 1 per jaar
Aantal eieren: 5-6 eieren
Broedduur: 28-30 dagen
Broedperiode: Januari - oktober (piek tussen half april - begin juni)
De Nijlgans broedt in Nederland bijna het hele jaar rond. Volgens Lensink (1999) loopt de broedperiode van eind februari tot oktober en komen eind april/begin juni de meeste jongen uit het ei. In stadparken zijn echter al half december de eerste jongen waargenomen. Volgens van der Jeugd en Majoor (2010) zijn buiten de stad de meeste jongen eind maart te zien. Ook is een tweede broedsel mogelijk. In de Atlas van de Nederlandse Broedvogels wordt beschreven dat Nijlganzen met jongen tussen januari en oktober worden gemeld, met een duidelijke piek tussen half april/begin juni.
Voedsel:
Scheuten, wortels, gras en zaden.

Vanaf de jaren ’90 komt de nijlgans in toenemende mate voor binnen het werkgebied van de WBE en komt ook tot succesvol broeden. De aanwezigheid van open water in de omgeving blijkt daarbij geen noodzaak te zijn. De stand is dusdanig toegenomen, dat er sprake is van landbouwschade en schade aan de weidevogelstand door agressief territoriumgedrag. De WBE  heeft dan ook een ontheffing voor het doden van de nijlgans ter voorkoming van landbouwschade onder strikte voorwaarden.

Rosse Stekelstaart
Oxyura jamaicensis
 
Uiterlijk:
Lengte: 35-43 cm
Spanwijdte: 53-62 cm
Gewicht: 350-800 g
Leefwijze:
Stekelstaarten trekken over korte afstanden om zich ’s winters te verzamelen in op meren en reservoirs.
Voortplanting:
Aantal legsels: 1 per jaar
Aantal eieren: maximaal 10 eieren
Broedduur: 25-26 dagen
Voedsel:
Foerageren in het water naar kleine insecten, kreeftachtige en zaden.
Er is geen informatie beschikbaar, dat deze exoot, afkomstig uit Amerika zich binnen het werkgebied van de WBE heeft gevestigd.

Smient
Anas penelope
 
Uiterlijk:
Zwemeend
Lengte 46 cm
Vleugellengte 26 cm
Gewicht 800 g
Biotoop:
De smient leeft in niet te open wateren met rijke begroeiing. Op de trek zijn zij zowel langs de kust als op de binnenwateren te vinden.
Leefwijze:
De paarvorming van smienten in de winterkwartieren wordt bevorderd door een groepsbalts met karakteristieke bewegingen en geluiden. Ongeveer in de tweede helft van juni trekken de mannetjes weg naar de ruigebieden. De winterkwartieren liggen in Westelijk Europa en in het Middellandse Zeegebied.
Voortplanting:
Aantal legsels: 1 per jaar
Aantal eieren: 7-10 geel- tot bruinachtige eieren
Broedperiode: mei, juni
Broedduur: 22-24 dagen
Voedsel:
Het menu van de smient bestaat uit jonge scheuten, bladeren, knoppen, zaden, weekdieren en insecten.

Tijdens de trek en tijdens het winterseizoen wordt de smient waargenomen in en rond open water binnen het werkgebied van de WBE "West-Twente”.