Bejaagbare faunasoorten


Haas
Lepus Europeanus

Uiterlijk:
Kopromp van 50-65 cm.
Gewicht van 2,5-6 kg
Biotoop:
Hazen leven in gras- en akkerland, met een voorkeur voor kleinschalige landbouwgebieden met afwisselende gewassen. Bosranden, windkeringen, ruigtezomen en heggen worden vooral in de winter als rustplaats gekozen. Hun legers worden ook in hoger gras of tussen de kluiten van een geploegde akker gemaakt.
Leefwijze:
Het haas is overwegend in de nacht en vooravond actief; in het voorjaar en zomer ook in de schemering en overdag. Hij heeft leeft solitaire en is sterk plaatsgebonden.
Voortplanting:
Paartijd: december tot augustus
Draagtijd: 41 tot 44 dagen
Aantal worpen: ongeveer 3 per jaar
Worpgrootte: 1-5 met een gemiddelde van 11 jongen per jaar
Voedsel:
Hazen eten grassen, kruiden en akkerbouwproducten. Bij hoge sneeuw eten ze ook knoppen en loten van struiken en schors.
Jacht en schadebestrijding:
Jacht op hazen is toegestaan van 15 oktober tot en met 31 december.

Het haas komt in de gehele WBE  "West-Twente”voor, waarbij met name de landbouwgebieden de grootste concentraties kennen. De stand van het haas blijkt jaarlijks te wisselen, waarbij vooral de klimatologische omstandigheden en het optreden van ziekten grote invloed hebben. Van de aanwezige stand van het haas mag tijdens het jachtseizoen maximaal 40% geoogst worden om de stand niet te laag te laten worden. De genetische basis moet  stand gehouden worden. In veel gevallen wordt slechts 20% of zelfs nog niets tijdens de jacht geoogst, afhankelijk van plaatselijke omstandigheden. De stand van de haas wordt beïnvloed door slechte weersomstandigheden tijdens de vroege voorjaarsmaanden en de zomermaanden waardoor veel jonge hazen niet overleven door met name natte omstandigheden of koude. Ook landbouwwerkzaamheden, het grootschalig maaien met grote snelheden, de wiedeg en  het bespuiten van landbouwgewassen met bestrijdingsmiddelen hebben directe invloed op de  hazenstand. Drukke wegen die een biotoop doorkruisen eisen ook hun tol, niet alleen door verkeersslachtoffers, maar ook door de ontsluiting voor recreanten met loslopende honden.

Fazant
Phasanius Colchicus

Uiterlijk:
Lengte: haan 80 cm en hen 60 cm
Vleugellengte: haan 25 cm en hen 22 cm
Gewicht: haan 1400 g en hen 1200 g
Biotoop:
De fazant is van oorsprong een vogel van de rivierdalen. Hij heeft een voorkeur voor landbouwgebieden met veel bosjes en bomen, rietgordels langs waters en meren, aan akkers grenzende vochtige bossen.
Leefwijze:
De fazant is alleen overdag actief. Roesten doen fazanten in groepen, het liefst in bomen of struiken en als die er niet zijn, op een beschutte plek op de grond. De fazant is een echte loopvogel die grote afstanden kan afleggen op zoek naar voedsel. Fazanten leven meestal in groepen. In de winter zijn dat groepen van drie of vier hanen met een paar hennen, maar ook wel eens alleen maar hanen. Iedere haan heeft tijdens de paartijd een eigen baltsplaats, waarop zich meestal enige hennen bevinden. Rivalen worden dan niet geduld.
Voortplanting:
Paartijd: februari-maart
Broedtijd: april-juli
Aantal legsels: 1, nalegsel mogelijk.
Aantal eieren: 8-12 olijfbruin tot blauwgrijze eieren
Broedduur: 23-24 dagen; broedt vanaf laatste ei.
Voedsel:
Het voedsel van fazanten bestaat uit allerlei planten, zaden, bessen, wormen, slakken en insecten.
Jacht:
De fazantenhaan mag van 15 oktober tot en met 31 januari bejaagd worden en de fazantenhen van 15 oktober tot en met 31 december

De fazant voelde zich van oorsprong goed thuis in de biotopen binnen de WBE, daar waar het landschap kleinschalig is en er water te bereiken is. In het verleden, onder de werking van de jachtwet,  waren er binnen het werkgebied natuurlijke populaties, maar tot 1993 ook populaties beheerd  voor de jacht als onderdeel voor het in standhouden van landgoederen.

De aantallen van de fazanten zijn de laatste jaren sterk afgenomen door een verandering van het landschap, verdroging, het niet meer toestaan van uitzetten  en ook toename van predatoren. Slechts in die gevallen waar de biotoop,  in combinatie met een grondgebruik, aan de juiste voorwaarden voldoet, komt de fazant voor.

Jacht heeft nog een zeer beperkte invloed op de stand en wordt meestal beperkt tot bejaging van de haan.

Konijn
Oryctolagus cuniculus

Uiterlijk:
Kopromp 35-45 cm
Gewicht 1,2-2,5 kg
Biotoop:
Konijnen hebben een voorkeur voor droge, zandige gebieden en halfopen landschappen. Ze komen nauwelijks voor in open grasland en mijden vochtige terreinen of zware klei, waarin ze geen holen kunnen graven.
Leefwijze:
Konijnen zijn overwegend in de schermer en nacht actief. Een hol of burcht wordt door één familie van maximaal tien leden bewoond. Binnen deze familie bestaat een onderlinge rangorde. Meestal is er een dominant paar met enkele ondergeschikte rammelaars en moertjes. Dit zijn meestal de nakomelingen van dat paar.
Voortplanting:
Paartijd: januari tot augustus
Draagtijd: 28-30 dagen
Aantal worpen: 2-3 nesten
Worpgrootte: 1-9 lampreien
Voedsel:
Het voedsel van konijnen bestaat uit allerlei grassen, kruiden, loten van jonge struiken en boompjes en bast. Ruwbladige en zure plantensoorten, en hoog gras worden gemeden.
Jacht en schadebestrijding:
Jacht op het konijn is toegestaan van 15 augustus tot en met 31 januari. Schadebestrijding is het hele jaar door mogelijk.

Het konijn komt overal in binnen het werkgebied van de WBE voor, vooral daar waar de grond droog is en er gegraven kan worden . Tot de komst van ziekte myxomatose eind jaren ‘50 was de stand van de konijnen plaatselijk zeer hoog. Vooral daar waar het belangrijk jachtwild was in de vele landgoederen binnen ons  huidige werkgebied van de WBE.

Pas in de jaren tachtig van de vorige eeuw ontstond er een zekere weerstand tegen het myxomatosevirus en herstelden de konijnenpopulaties zich. Het konijn houdt van een kleinschaligheid en zal zich niet gauw vestigen midden in  grote kale weidegebieden.

Na 1990 is dit beeld duidelijk veranderd. Door een nieuwe virusziekte onder de konijnen, het Viraal Haemorrhagisch Syndroom (VHS), dat in 1990 voor het eerst in ons land is waargenomen, is het bergafwaarts gegaan met de konijnen. Lokaal kunnen aantallen sterk verschillen. In sommige jachtvelden zijn ze helemaal verdwenen en wordt door de decimering van de stand het konijn in veel jachtvelden niet meer bejaagd. In andere jachtvelden kunnen aantallen sterk toenemen en vindt schadebestrijding plaats. Opvallend is,  dat de konijnen steeds meer de bebouwing opzoeken en soms in grote aantallen voorkomen in tuinen, parken,  plantsoenen in de steden, dorpen en kernen en op industrieterreinen, sportvelden en begraafplaatsen.

Wilde Eend
Anas platyrhynchos
 
Uiterlijk:
Zwemeend
Lengte 58 cm
Vleugellengte 28 cm
Gewicht 1200 g
Biotoop:
Wilde eenden komen in en buiten het broedseizoen overal voor. Ze hebben een voorkeur voor rustige, begroeide waterpartijen en nestelen ook bij rivieren en in steden. In het broedseizoen gaan de woerden naar grotere wateren om daar veilig te ruien. Tijdens de rui kunnen zij namelijk enige tijd niet vliegen.
Leefwijze:
In de herfst vormen wilde eenden groepen van soms meer dan 1000 dieren op grote wateroppervlakten, van waaruit ze zich ’s avonds verspreiden om voedsel te zoeken. De vogels overwinteren op ijsvrij water of aan de kust; sommige trekken weg, andere blijven. Wilde eenden eten rusten overdag en fourageren ’s nachts onder andere op landbouwgronden. In de ochtend vliegen ze weer terug naar hun dagverblijven op en bij meren, plassen, poelen en sloten.
Voortplanting:
Paartijd: In de wintermaanden worden paartjes gevormd.
Broedtijd: maart tot juni
Aantal legsels: gewoonlijk 1 broedsel in een jaar
Aantal eieren: 10-12 groen- of geelachtige eieren
Broedduur: 24-28 dagen
Voedsel:
Het voedsel van de wilde eend bestaat voornamelijk uit plantendelen, zoals waterplanten, gras, eendenkroos, knolletjes van aardappelen, eikels, peulvruchten en granen. Insecten, visjes en kreeften kunnen ook deel uitmaken van hun menu.
Jacht:
Jacht is toegestaan van 15 augustus tot en met 31 januari.

De wilde eend komt overal daar binnen het werkgebied van de WBE voor,  waar open water voldoende aanwezig is. Vooral in het broedseizoen zijn ze overal aan te treffen, zelfs bij de kleinste slootjes met water.

De verbetering van de waterkwaliteit door zuiveringen, de meer natuurlijke inrichting van beken en rivieren, het aanleggen van retentiegebieden en de ontstaan van plassen door zandafgravingen hebben de laatste 20 jaar de aantallen van de wilde eend laten toenemen. Door de uitbreiding van dorpen, steden en industrieterreinen ontstonden waar vijvers werden aangelegd, ontstonden nieuwe biotopen. Door de aanwezigheid van tamme eenden bij vooral hobbyboeren en kinderboerderijen vindt vermenging plaats tussen de tamme eend en de wilde eend. Het voeren van de eenden in parken en bij vijvers zorgt ook voor vermenging.  De wilde eend blijkt snel de schuwheid voor mensen te verliezen. Het aantal bastaarden neemt daardoor toe. In de praktijk blijkt jacht vooral gericht te zijn op afschot van woerden en bastaards.

Van nature is de wilde eend binnen het werkgebied van de WBE  grotendeels een trekvogel, waarbij de trek beïnvloed wordt door ‘winterse’ weersomstandigheden, het dichtvriezen van open water. Daar waar het water open blijft door stroming of scheepvaartverkeer kunnen zich grote aantallen verzamelen, aangevuld met  wintergasten uit Scandinavië en Duitsland, Polen en Rusland.

Nesten van de wilde eend worden regelmatig gepredeerd door natuurlijke vijanden, maar ook door bijvoorbeeld katten nabij bewoning. Predatie op pullen van de wilde eend wordt vooral waargenomen door reigers, roofvissen en in de dorpen en steden door ratten.

Binnen het werkgebied van de WBE treedt regelmatig botulisme op in de zomermaanden, vooral in beken en vijvers in Almelo. Doordat de waterstromen vanuit Almelo stroomafwaarts, via de Nieuwe Graven of Hollander Graven/Veeneleiding of Lateraal richting het werkgebied van de WBE "West-Twente"stromen, treedt regelmatig grote sterfte op onder met name halfwilde eenden. In de bestrijding van  de ziekte waarvan sommige vormen ook voor huisdieren en de mens gevaarlijk kunnen zijn en het opruimen van kadavers heeft Waterschap Regge en Dinkel een leidende rol.

Houtduif
Columba palumbus
 
Uiterlijk:
Lengte: 40-42 cm
Spanwijdte: 75-80 cm
Gewicht: 480-550 g
Biotoop:
Houtduiven leven in agrarische gebieden, gemengde bossen, stadsparken en in grote tuinen in vrijwel geheel Europa.
Leefwijze:
Houtduiven zijn overdag actief. Ze vormen koppeltjes die een jaar blijven bestaan. In de winter zwerven ze in grote vluchten rond. Tegen de avond ontstaat een zogenaamde slaaptrek in de richting van de roestplaatsen, waar ze in grote aantallen overnachten.

Voortplanting:
Aantal legsels: 1, in warme jaren meerdere legsels mogelijk.
Aantal eieren: 2 witte eieren
Broedduur: 17 dagen
Voedsel:
Houtduiven eten zaden, graan, scheuten, bladeren, eikels en allerlei bessen.
Jacht en schadebestrijding:
Houtduiven worden bejaagd van 15 oktober tot en met 31 januari. Buiten het jachtseizoen vindt schadebestrijding met het geweer plaats op basis van een landelijke vrijstelling. De meeste houtduiven worden geschoten in het zuiden van Nederland.

Binnen het werkgebied komt de houtduif overal voor. Opvallend is het grote aantal houtduiven dat zich gevestigd heeft binnen de bebouwde kommen van dorpen en steden. Hier vinden zij in bomen en struiken volop broedgelegenheid en vaak ook ruim voldoende voedsel. Ook de wintervoedering zal hier een belangrijke rol spelen.
Door een toename van het verbouw van granen,   neemt ook lokaal het aantal houtduiven toe. Wel belangrijk is, dat er in het landschap voldoende broedgelegenheid is. 

Het grootste afschot van de standpopulatie vindt daar plaats waar er schade is aan met name rijpend graan in de zomermaanden. In de wintermaanden wordt vooral gejaagd op de wintergasten uit Scandinavië en Oost-Europa.  Het voorkomen hiervan wordt echter bepaald door weersomstandigheden en de aanwezigheid  èn bereikbaarheid van voedsel.

Patrijs
Perdix perdix
 
Uiterlijk:
Lengte: 30 cm
Vleugellengte: 15 cm
Gewicht: 300-400 g
Biotoop:
De patrijs leeft in open kruidrijke landschappen, zoals bouwland, steppen, heiden, veenland en duinen.
Leefwijze:
Patrijzen zijn overdag en in de schemering actief, maar dan wel met tussenpozen van een kwartier tot een half uur. Ze slapen dicht tegen elkaar aangedrukt op veilige plaatsen op de grond. Paarvorming gaat gepaard met wilde gevechten om broedterritoria. Patrijzen zijn monogaam en blijven levenslang bij elkaar.
Voortplanting:
Broedtijd: april-juni
Aantal legsels: 1 broedsel, nalegsel mogelijk
Aantal eieren: 8-20 stuks
Broedduur: 24-26 dagen; broedt na leggen van laatste ei
Voedsel:
De eerste drie weken eten de patrijzenkuikens alleen maar dierlijk voedsel, daarna gaan ze geleidelijk over op plantaardig voedsel zoals zachte, groene plantendelen. Verder bestaat hun menu uit zaden, bessen, wormen, slakken en allerlei insecten.
Jacht:
Jacht gesloten, omdat de patrijs op de rode lijst geplaatst is.
 
De patrijs was een veelvoorkomende, algemene jachtvogel in geheel Twente. Met name de grootschalige verandering van het grondgebruik heeft de stand sterk achteruit doen gaan.  Slechts daar waar het landschap kleinschalig is gebleven en het grondgebruik  afwisselend, zoals ten oosten en zuiden van Enter, is sprake van een aanzienlijke stand van de patrijs. Daar waar de biotoop perfect is en de stand van de patrijs altijd goed was, zijn aantallen soms toch plotseling afgenomen. Er zijn signalen, dat door het niet be- c.q. verjagen van kluchten de onderlinge onrust en territoriumdrift te groot wordt om nog succesvolle broedgevallen te kunnen hebben volgens oudere jagers.

Braakliggende terreinen rond boerderijen en van bedrijfsterreinen of in nieuwe woonwijken trekken patrijzen aan, waar ook het broedresultaat goed is en grote kluchten waargenomen worden. Dit zijn echter tijdelijke situaties, omdat deze terreinen vaak snel ingevuld worden met bebouwing of zelfs weer landbouw. De patrijs ‘verdwijnt’ vervolgens weer en wordt ook in omliggende terreinen niet meer aangetroffen.