Marterachtigen


Boommarter
Martes martes
 
Uiterlijk:
Kopromp man 48-53 cm en vrouw 40-45 cm
Gewicht man 1200-1900 g en vrouw 850-1300g.
Biotoop:
Hoofdzakelijk bebost gebied met een voorkeur voor naaldbos of gemengd bos.
Leefwijze:
Voornamelijk in de schemering en ’s nachts actief. De nachtelijke activiteiten hangen sterk samen met de zonsondergang en zonsopkomst. De dieren leven meestal solitair, behalve in de ranstijd. Oudere dieren accepteren de aanwezigheid van jonge soortgenoten in hun leefgebied.
Voortplanting:
Ranstijd: juni-augustus
Draagtijd: verlengde draagtijd van 9-10 maanden. Daadwerkelijke draagtijd 1 maand
Aantal worpen: 1
Worpgrootte: 2-6 jongen
Voedsel:
In de winter eten boommarters bosmuizen, rosse woelmuizen, mollen, spitsmuizen. In de lente bestaat het dieet ook uit vogels en eieren. In de zomer en herfst eten ze voornamelijk plantaardige kost, zoals braam, rozenbottel en vogelkers. Verder worden hazen, spitsmuizen, eekhoorns, vleermuizen, insecten, regenwormen en honing gegeten.

De boommarter komt in toenemende mate voor binnen het werkgebied van de WBE wat blijkt uit verkeersslachtoffers die aangetroffen worden. Omdat de dieren vrij schuw zijn, worden ze niet vaak gezien, maar vraatsporen tonen aan, dat de boommarter aanwezig is. Bossen, lang niet altijd grote aangesloten complexen, maar die met elkaar verbonden zijn, vormen de biotoop. De toename van de stand van de eekhoorn en een natuurlijker bosbeheer lijken aan de toename bij te dragen. Wellicht heeft ook de afname van gifstoffen in prooidieren afkomstig vanuit de landbouw effect op de voorplanting. Het  lijkt er op, dat ook de boommarter de  menselijke nabijheid steeds meer opzoekt.

Bunzing
Mustela putorius
 
Uiterlijk:
Kopromp man 33-35 cm en vrouw 28-38 cm 
Gewicht man 500-1800 g en vrouw 300-900 g.
Biotoop:
De bunzing stelt weinig specifieke eisen aan het biotoop en komt in een breed scala aan landschapstypen, mits er voldoende dekking is, voor. Hij heeft echter wel een voorkeur voor waterrijke gebieden.
Leefwijze:
Bunzingen zijn vooral in de schemering en ’s nachts actief. In de periode juni - september wordt hij ook overdag gezien.
Voortplanting:
Ranstijd: maart en april
Draagtijd: 6 weken
Aantal worpen: 1 per jaar
Worpgrootte: 4-6 jongen
Voedsel:
Het voedsel van de bunzing bestaat uit konijnen, hazen, bruine en zwarte ratten, woelratten, muskusratten, muizen, vogels, eieren, kikkers en padden.

Overal  binnen het werkgebied van de WBE komt de bunzing voor, waarbij er een voorkeur is voor de bebouwing (schuurtjes, stapels rotzooi e.d.) waaronder of waarin de bunzing zich thuis voelt en in de omgeving voedsel kan vinden. Daarbij wordt in toenemende mate geconcurreerd met de steenmarter waarbij deze laatste fysiek sterker is. Sinds de sluiting van de jacht op de bunzing, al onder de werking van de jachtwet, zijn er geen exacte cijfers beschikbaar, maar moet afgegaan worden op waarnemingen in het veld. Lokaal zorgt de bunzing voor schade aan (landbouw)huisdieren en weidevogels.

Das
Melis melis
  
Uiterlijk:
Kopromp 67-80 cm
Gewicht man 9,1-16,7 kg en vrouw 6,6-13,9 kg
Biotoop:
De das heeft een voorkeur voor kleinschalig akker- en weidelandschap met verspreide bosjes, heggen en houtwallen. 
Leefwijze:
Dassen leven in familiegroepen van 3 tot 4 dieren en onder gunstige omstandigheden wonen in een burcht tot 20 dassen. Hoewel ze niet strikt monogaam zijn, blijven paren vaak voor het leven bij elkaar. De das is een nachtdier dat in de schemering de burcht verlaat. 
Voortplanting:
Paartijd: meestal in de vroege lente
Draagtijd: implantatie van bevruchte eicel meestal in december. Daadwerkelijke dracht duurt 7 weken.
Aantal worpen: 1 per jaar
Worpgrootte: 2-3 jongen
Voedsel:
De das is een omnivoor. Hij eet regenwormen, bosvruchten, valfruit, noten, eikels, knollen, maïs, koren, paddenstoelen, knaagdieren, slakken, kevers en insectenlarven.

Tot in de jaren ’80 was het voorkomen van de das een zeldzaamheid. De vondst van verkeersslachtoffers liet de conclusie toe, dat het om doortrekkende exemplaren ging. Door het treffen van verkeersmaatregelen, rasters, dassentunnels en een actiever biotoopbeheer werd de biotoop gunstiger en heeft zich de das blijvend gevestigd. Er werd veel aandacht gegeven aan de das door overheden en media, mede door het ‘aaibare uiterlijk’. De laatste jaren zijn vele bewoonde burchten gevonden binnen het werkgebied van de WBE, soms vlak bij dorpen. Plaatselijk wordt regelmatig aanzienlijke schade aangericht onder de (landbouw)huisdieren en wordt het draagvlak  onder de bevolking minder.

Hermelijn
Mustela erminea
 
Uiterlijk:
Kopromp man 24-29 cm en vrouw 21,5-26 cm 
Gewicht man 150-445g en vrouw 140-260 cm.
Biotoop:
De hermelijn komt voor in een breed scala aan landschappen, van bebost terrein en houtwallen tot aan polders.
Leefwijze: 
Hermelijnen zijn zowel overdag als ’s nachts actief.
Voortplanting:
Paartijd: maart tot juni
Draagtijd: verlengde draagtijd van de bevruchte eicel. Na 7 tot 10 maanden overgang in actieve draagtijd welke 10 weken duurt.
Aantal worpen: 1 per jaar
Worpgrootte: 4 tot 8 jongen
Voedsel:
Het voedsel van de hermelijn bestaat uit woelmuizen en –ratten, konijnen, vogels en eieren.

De hermelijn is een binnen het werkgebied van de WBE een algemeen voorkomende soort die ook de menselijke omgeving opzoekt waar zich prooidieren te vinden zijn in de tuinen. Wel heeft het dier een voorkeur voor droge zanderige gronden. Door de heimelijke leefwijze en het zich snel verplaatsen, valt de hermelijn weinig op.

Otter
Lutra lutra
 
Uiterlijk:
Kopromp 60-95 cm
Gewicht man 6,5-12 kg en vrouw 4,5-7 kg
Biotoop:
De otter leeft bij de oevers van rivieren, beken, meren, plassen en kanalen met schoon water. Voldoende dekking en rust zijn essentieel.
Leefwijze:
Otters zijn schuwe dieren die ’s nachts actief zijn. Ze kunnen tot 4 minuten onder water blijven. Hoewel het solitair levende dieren zijn, leven moeder en jongen gedurende een jaar samen, waarbij het speelse gedrag opvallend is.
Voortplanting:
Paartijd: Geen vaste paartijd bekend.
Draagtijd: 9 weken
Aantal worpen: 1 per jaar
Worpgrootte: 2-3 jongen
Voedsel:
Otters zijn carnivoren en hun menu bestaat vooral uit vis, aangevuld met amfibieen, kreeften, krabben, watervogels, eieren, muizen, woelratten, bruine ratten en muskusratten.

Binnen het werkgebied van de WBE komt de otter al decennia niet meer voor door bejaging en vooral vervuiling van water en waterbodems waardoor er geen voedsel meer beschikbaar was. In onder meer de Kop van Overijssel, de Weerribben, de Wieden en Oldematen komt de otter weer voor nadat deze daar werd uitgezet. Er zijn inmiddels sporen gevonden van otters langs de Boven-Regge. Het is niet onmogelijk, dat door het schone water en aangepast waterbeheer de otter op korte termijn terug komt in de Midden-Regge en zijbeken.

Steenmarter
Martes foina
 
Uiterlijk:
Kopromp man 40-52 cm en vrouw 37-48 cm 
Gewicht man 1400-2100 g en vrouw 700-1700 g
Biotoop:
Steenmarters komen voornamelijk voor in en om menselijke bebouwing.
Leefwijze:
Steenmarters zijn vooral actief tussen zonsondergang en zonsopkomst. Lange winternachten onderbreekt hij vaak met rustpauzes. Tussen juni en september is de steenmarter soms ook ’s ochtends actief.
Voortplanting:
Ranstijd: juni tot augustus
Draagtijd: tot 9 maanden in verband met verlengde draagtijd.
Aantal worpen: 1 per jaar
Worpgrootte: 1-5 jongen
Voedsel:
Steenmarters zijn omnivoren. Het voedsel van de steenmarter bestaat uit muizen en ratten, jonge konijnen, vogels, eieren, insecten, kikkers, regenwormen, vruchten, bessen, egels en menselijke etensresten.

De steenmarter komt inmiddels overal voor binnen het werkgebied van de WBE.  Begin jaren ’90 kwamen de eerste meldingen van schade binnen vanaf het industrieterrein Bornsestraat in Almelo met schade aan bekabelingen. Daarna werden naar het westen toe steeds meer dieren gesignaleerd en ook als verkeersslachtoffer aangetroffen. Midden jaren ’90 kreeg de WBE meldingen vanuit Nijverdal/Kruidenwijk/Hulsen over overlast en schade.  Wat later ook vanuit Enter en Rijssen. Er wordt een beroep gedaan in voorkomende gevallen op de WBE of op jagers. Echter is de steenmarter volledig beschermd. Ook staat de problematiek  op de politieke agenda in de gemeente Wierden.  De steenmarter komt nu in alle steden, dorpen en kernen voor binnen het werkgebied van de WBE en buitenaf vooral rond de bebouwingen.

Schade is er aan gebouwen door vervuiling en aan auto’s waarvan de bekabeling kapot gebeten wordt. Ook sierpluimvee, siervogels en tamme konijnen worden door steenmarters gedood. Ook kwestbare weidevogelpopulaties worden sterk gepredeerd.  In woningen en gebouwen ontstaan problemen door vervuiling, stank en geluidsoverlast. Door de beschermde positie van het dier, kan schade nergens op verhaald worden.

Verwilderde nerts
Mustela vison

Uiterlijk:
Kopromp 33-45 cm
Gewicht man 850-1850 gr en vrouw 450-850 gr
Biotoop:
De verwilderde nerts houdt zich vooral op in bosrijke gebieden met voldoende dekking, langs oevers van langzaam stromende beken en rivieren, kust- en moerasgebieden, stilstaande wateren en rietvelden.
Leefwijze:
Verwilderde nertsen zijn voornamelijk in de schemering en ’s nachts actief. Ze leven over het algemeen solitair en brengen 80 tot 85 procent van hun tijd door in hun hol.
Voortplanting:
Paartijd: februari-april
Draagtijd: 6-11 weken
Aantal worpen: 1 per jaar
Worpgrootte: 6 jongen
Voedsel:
Het voedsel van de verwilderde nerts bestaat uit vissen kleiner dan 15 centimeter, vogels, schaaldieren zoals rivierkreeft, kikkers en ongewervelden. Konijnen, ratten, muizen, jonge meerkoeten, waterhoentjes, soms eieren en aas worden ook gegeten.
 
Incidenteel komt de verwilderde nertsen voor binnen het werkgebied van de WBE, vooral langs grote watergangen in het oostelijk deel van de WBE. Waarschijnlijk zijn deze van oorsprong afkomstig uit een nertsenfokkerij inde Weitemanslanden ten noorden van Almelo. 

Vos
Vulpes vulpes
 
Uiterlijk:
Kopromp 56-78 cm
Gewicht 3,5-10 kg
Biotoop:
Vossen komen voor in bosrijke gebieden, parklandschappen, heide en venen, duinen, polders en landbouwgebieden. Eigenlijk zijn ze overal waar voedsel en dekking te vinden is, en waar een hol gegraven kan worden. Hij jaagt vaak in zoomgebieden, tussen verschillende biotopen in, vanwege het hoge voedselaanbod.
Leefwijze:
De vos is voornamelijk een schemer- en nachtdier. Ze leven in familiegroepen waarbij vooral de vrouwtjes een gezamenlijk territorium delen.
Voortplanting:
Ranstijd: december tot februari
Draagtijd: 52 dagen
Aantal worpen: 1
Worpgrootte: gemiddeld 4 tot 5
Voedsel:
Vossen eten knaagdieren, konijnen, hazen, vogels, regenwormen, kevers, eieren, aas en afval. Ook bosvruchten en valfruit maken deel uit van hun menu. Bij overvloedig aanbod kan een deel verstopt worden en wordt teruggevonden door middel van herinnering en geur.
Voorkomen in Nederland:
Komt in alle provincies van Nederland voor.
Schadebestrijding:
De toename van de omvang van de vossenpopulatie alsmede het verspreidingsgebied komt ook tot uitdrukking in het afschot. Begin jaren tachtig van de vorige eeuw werden er ca. 8.500 vossen geschoten. In het seizoen 2007/08 bedroeg dat aantal naar schatting 19.475. De sterke terugval van het afschot in de periode 2002- 2005 is een gevolg van wetswijziging. Met ingang van de Flora- en faunawet in 2002 behoort de vos niet langer tot de wildsoorten. Afschot is vanaf dat moment alleen mogelijk op basis van vrijstelling of ontheffing. In een aantal provincies zijn ter bescherming van grondbroeders en ter voorkoming van schade aan pluimvee in beperkte mate ontheffingen verstrekt voor het doden van vossen. Soms waren die ontheffingen evenwel maar van korte duur vanwege bezwaar- en beroepsprocedures. In 2006 heeft de minister van LNV de vos op de landelijke vrijstellingslijst geplaatst. Dit betekende dat vossen weer vrij konden worden geschoten, mits toestemming van de grondgebruiker. Ook het gebruik van inloopkooitjes was daarmee toegestaan. 

De stand van de vos is binnen het werkgebied van de WBE "West-Twente”vanaf de jaren ’90 explosief toegenomen. Vooral  het feit, dat  de jacht op de vos onder de flora en faunawet enige tijd niet toegestaan werd, in combinatie met gebieden waar binnen de vos niet bejaagd mocht worden, hebben hieraan bijgedragen. De vossen worden inmiddels ook gesignaleerd binnen de bebouwde kommen van de steden en dorpen binnen het werkgebied. De stand van de vossen heeft grote invloed op de stand van de weidevogels en andere bodembroeders blijkt uit cijfers van de weidevogelbeheerders.

Sinds geruime tijd beschikt de WBE overeen ontheffing voor het gebruik van kunstlicht voor de regulering van de stand van de vos op grond van de aanwezigheid van enkele weidevogelgebieden binnen de WBE en het korhoen op de aangrenzende Sallandse Heuvelrug.

Wasbeer
Procyon lotor

Uiterlijk:
kopromp 46-71 cm
Gewicht 5-10 kg
Biotoop:
Wasberen houden van afwisselende, bosachtige gebieden met oud loof- en gemengd hout, dikwijls in de omgeving van water. Ook moerasbossen zijn geliefd.
Leefwijze:
De wasbeer leeft meestal solitair. Wasberen zijn nachtdieren met een zeer verborgen leefwijze. De winterrust begint bij de eerste sneeuwval.
Voortplanting:
Paartijd: midden februari (tijdens een onderbreking van de winterrust)
Draagtijd: 9 weken
Aantal worpen: 2
Worpgrootte: 2-6 jongen
Voedsel:
Wasberen zijn alleseter. Hun menu bestaat uit maïs, haver, fruit uit boomgaarden, bosvruchten, vogels, insecten, kreeften, reptielen, amfibieën, slakken en regenwormen.

Er zijn nog geen meldingen bekend, dat de wasbeer, als exoot vanuit noord europa het werkgebied van de WBE "West-Twente” heeft bereikt.

Wasbeerhond
Nyctereutes procyonoides
 
Uiterlijk:
Kopromp 50-72 cm
Gewicht 3,5-8,5 kg
Biotoop:
Wasbeerhonden leven in bebost terrein. Vooral loofhout en gemengd bos met veel ondergroei, waterrijke gebieden, rietvelden en ook moeras- en oeverbos met hoge zandruggen hebben hun voorkeur. Ze komen ook in kleinschalige landbouwgebieden met groene structuren voor.
Leefwijze:
De wasbeerhond heeft een sociale leefwijze en is vooral ’s nachts actief. Ze slapen in paar- of familieverband en vaak wordt gezamenlijk van één prooidier gegeten. De winter is een rustperiode, die regelmatig voor korte uitstapjes in de omgeving wordt onderbroken.
Voortplanting:
Ranstijd: februari/maart
Draagtijd: 8-10 weken
Aantal worpen: 1 per jaar
Worpgrootte: gemiddeld 5-7 jongen
Voedsel:
De wasbeerhond zoekt voedsel langs de oever. Het menu bestaat voornamelijk uit knaagdieren en aas in de winter. In de zomer eet de wasbeerhond ook vis, kikkers, insecten, vogels en plantaardige kost.

Ook over de aanwezigheid van de wasbeerhond, een exoot uit Oost-Azië, zijn nog geen meldingen binnen gekomen binnen het werkgebied van de WBE.
 
Wezel
Mustela nivalis

Uiterlijk:
Kopromp 15-24 cm
Gewicht 65-150 g
Biotoop:
De wezel leeft in bossen, moerassen, duinen, wei- en akkerland. Soms komen ze dicht bij behuizing voor, maar meestal in de buurt van ruigten, bosschages en andere dekking biedende elementen.
Leefwijze:
Wezels zijn zowel overdag als ’s nachts actief. Ze leven solitair, behalve tijdens de voorplantingstijd.
Voortplanting:
Paartijd: Kan het gehele jaar plaatsvinden, maar voornamelijk februari-april
Draagtijd: 35 tot 40 dagen
Aantal worpen: meestal 1, soms 2 per jaar
Worpgrootte: 4-12 jongen
Voedsel:
Het voedsel van de wezel bestaat voornamelijk uit woelmuizen. Bij schaarste aan woelmuizen staan ook bosmuizen en vogeltjes op het menu. Het dieet wordt aangevuld met eieren, kikkers en insecten.

De  wezel wordt binnen het gehele werkgebied van de WBE waargenomen.