Overige belangrijke zoogdiersoorten


Bever
Castor fiber
 
Uiterlijk:
Kopromp 70-100 cm 
Gewicht 15-35 kg
Biotoop:
De bever komt voor in bossen langs beken en rivieren, langs oude beddingen en langs meren. Soms leven ze in meer open landschap en moerassen, waarbij een waterdiepte van minimaal 50cm een vereiste is. Bevers hebben geen voorkeur voor stromend of stilstaand water. Op stenige en vlakke stranden komen ze niet voor.
Leefwijze:
Bevers zijn vooral ’s nachts actief, maar in rustige gebieden zijn ze ook overdag te zien. Op het land bewegen ze zich langzaam voort. Bevers zijn uitstekende zwemmers en kunnen tot 5 minuten onder water blijven. Ze leven solitair of in kleine families van ouders met nakomelingen van 1 of 2 jaargangen, waarbij elk dier zijn eigen leefgebied heeft.
Voortplanting:
Paartijd: januari tot maart
Draagtijd: 3,5 maanden
Aantal worpen: 1 per jaar
Worpgrootte: 1-5 jongen
Voedsel:
Bevers eten bladeren en bast van bomen (vooral wilg en populier), wortelstokken, waterplanten en landplanten.

Binnen het werkgebied van de WBE "West-Twente” komt de bever al langere tijd niet meer voor. In het verre verleden moet dit wel degelijk het geval geweest zijn in de waterrijke omgeving van de vele beken. Ook veel voorkomende namen van families, boerderijen,veldnamen en voormalige havezaten wijzen hier op. Verwacht wordt, dat via de Vecht en de Regge individuele exemplaren ons werkgebied kunnen bereiken of als trekroute zal kunnen gebruiken. Met name de biotoop, rust en voedsel en de houding van de waterbeheerder en grondeigenaren, zal bepalend zijn of de bever zich blijvend zal vestigen. De waterkwaliteit vormt geen belemmering (meer).

Beverrat
Myocastor coypus
 
Uiterlijk:
Kopromp 42-65 cm
Gewicht 4-8 kg
Biotoop:
De beverrat is gebonden aan water, zowel stromend als stilstaand, met een rijke oever- en watervegetatie, zoals oude rivierlopen, kleiputten, grindgaten, moerassen en kleine riviertjes.
Leefwijze:
Beverratten zijn vooral in de schemering actief, maar ook ’s nachts en soms overdag. Op het land bewegen beverratten zich waggelend en langzaam voort, maar in het water zijn ze snel en duiken ze goed, waarbij ze tot 5 minuten onder water kunnen blijven. Ze leven in familiegroepen, waarbij de mannetjes ondergeschikt zijn aan de vrouwtjes. Elk dier heeft een eigen leefgebied, maar er is veel overlap. Oude dieren leven solitair.
Voortplanting:
Paartijd: gehele jaar
Draagtijd: 4,5 maanden
Aantal worpen: 1-2 per jaar.
Worpgrootte: 2-13 jongen
Voedsel:
Het voedsel van de beverrat bestaat uit wortelstokken en wilgen- en elzenbast in de winter, jonge rietscheuten in het voorjaar, (schijn)grassen en bladeren en vruchten van waterplanten in de zomer. Zoetwatermosselen staan ook op het menu.
Schadebestrijding:
Schadebestrijding is op provinciaal niveau geregeld.  

De beverrat is een exoot afkomstig uit Zuid-Amerika, die ook binnen het werkgebied van de WBE voorkomt en gevangen wordt als bijvangsten door de muskatrattenvangers.


Bruine rat
Rattus norvegicus

Uiterlijk:
Kop-romp 21-29 cm staartlengte 15 tot 23 cm
Gewicht 150 tot 520 gram
Biotoop:
De vanuit van oorsprong noord China afkomstige bruine rat is een cultuurvolger. Voor een deel is de rat afhankelijk van de (slordigheid) van de mens. De bruine rat komt voor in en rond gebouwen, in en rond riolen en langs sloot- en beekkanten. In de loop der eeuwen heeft de bruine rat de van oorsprong inheemse zwarte rat verdrongen.
Leefwijze:
De bruine rat is vooral een nachtdier wat meestal in kolonies leeft. De bruine rat staat bekend om zijn intelligentie en aanpassingsvermogen. De rat graaft holen in de grond of maakt gebruik van ruimtes onder vloeren of tussen muren.
Voortplanting:
Bij voldoende voedselaanbod en niet te koude temperaturen plant de rat zich gedurende het hele jaar door voort.
Draagtijd 20 tot 23 dagen
Aantal worpen per jaar tot 5 mogelijk
Worpgrootte ca 7-9 jongen
Voedsel:
De bruine rat is een knaagdier, maar wel een alleseter, waarbij de voorkeur uit gaat naar eiwit- en zetmeelrijk voedsel. Naast graan, huisvuil en ander afval worden ook jonge zoogdieren, vogels en eieren gegeten. Ook komt kannibalisme voor. De rat zelf dient als voedsel voor onder andere bunzings, steenmarters en uilen.

De bruine rat komt overal voor, vooral rond menselijke bebouwingen. Aangezien de rat zeer besmettelijke ziekten verspreid en daardoor een gevaar voor de volksgezondheid vormt, worden ratten intensief bestreden met klemmen en gif. Hiervoor moeten soms gespecialiseerde bedrijven ingeschakeld worden. Ook kan aanmerkelijk schade aangericht worden door vraat en vervuiling met uitwerpselen en urine. Ook zijn meerdere gevallen bekend, waarbij broedende weidevogels gepredeteerd werden door bruine ratten.


Grijze eekhoorn
Sciurus carolinensis
 
Uiterlijk:
Kopromp 23-29 cm
Gewicht 400-720 g
Biotoop:
De grijze eekhoorn komt voor in diverse bostypen, maar vooral in loofbossen. Ook in gemengd bos, houtwallen, parken en aan randen van steden kunnen ze leven.
Leefwijze:
Grijze eekhoorns zijn hoofdzakelijk overdag actief, met pieken in de vroege ochtend en avond. In de koudere seizoenen wordt het dagritme aangepast aan de weersomstandigheden. Zo zijn ze met een strenge winter maar enkele uren per dag actief. Een dikke sneeuwlaag op takken, sterke wind en zeer warm of koud weer beperkt hun activiteiten. Ze leven grotendeels solitair. Alleen in de winter en lente worden nesten gemeenschappelijk benut. De soort komt van oorsprong voor in het oosten van de Verenigde Staten en Canada en inmiddels ook in Groot-Brittanië. 
Voortplanting:
Paartijd: december tot februari en in mei/juni
Draagtijd: 44 dagen
Aantal worpen: 1 tot 2 per jaar
Worpgrootte: gemiddeld 2 tot 4 jongen
Voedsel:
Het menu van de grijze eekhoorn bestaat vooral zaden en ander plantaardig materiaal.

Binnen het werkgebied van de WBE "West-Twente”zijn geen meldingen bekend of de grijze eekhoorn als exoot voorkomt. Als exoot is de grijze eekhoorn niet gewenst in onze fauna.  


Mol
Talpas europeae 

Uiterlijk:
Kop-romp: 11 tot 16 cm
Gewicht: 65-140 gram (vrouwelijke exemplaren zijn tot ca 25 gram lichter)
Biotoop:
De mol komt voornamelijk voor in graslanden en in loofhoutbossen. De grond moet niet te zandig zijn en niet te hard om in te kunnen graven. Ook moet de bodem voldoende voedsel bevatten.
Leefwijze:
De mol leeft solitair behalve in het voortplantingsseizoen. Hij graaft gangen tot wel 200 meter lang. Omdat de mol nagenoeg blind is, vertrouwt hij op de reuk- en tastzin die heel sterk ontwikkeld zijn.
Paartijd: februari - april
Draagtijd:  circa 28 dagen
Aantal worpen: 1x per jaar
Worpgrootte: 3-6 jongen
Voedsel: regenwormen, engerlingen, maden, slakken, alle insecten die in de bodem en zijn gangenstelsel terecht komen. De mol dient zelf tot voedsel voor onder meer hermelijn, wezel, vos, das, reiger, ooievaar en vele stootvogelsoorten. 

De mol wordt in het nette grasland door de landbouw als vervelend ervaren; bij het maaien en schudden van het gras komt zand in het eindproduct. Door grote molshopen groeit er plaatselijk minder gras. Ook kunnen met name paarden en koeien de benen, c.q. poten breken in diepere gangen of gaten gegraven door mollen. De mol valt onder de bescherming van de flora en faunawet maar mag door onder meer de grondgebruiker gevangen worden. Hiervoor worden vaak klemmen gebruikt. Het lijkt, dat de mol in aantallen afneemt. Dit kan te maken hebben met een verdroging maar wellicht meer door de toepassing van de zodebemesting. Het bodemleven verdwijnt hierdoor waardoor de mol geen voedsel meer kan vinden. De mol vervult een onderschatte rol in het vruchtbaar houden van graslanden en heeft een rol als onmisbare voedselbron voor veel diersoorten. 


Wolf
Canis lupus

Uiterlijk:
Kop-romp: 100 tot 150 cm staart 30-50 cm
Schouderhoogte: 65 tot 80 cm
Gewicht reu: 20 tot 90 kg
Gewicht teef: 18 tot 50 kg
Biotoop:
De wolf leeft in Europa in vooral ruige gebieden met bossen en bergen of heuvels waar de menselijke activiteiten beperkt zijn. Er moeten voldoende grote prooidieren aanwezig zijn om zowel een individueel dier als een roedel te kunnen voeden.
Leefwijze:
De wolf leeft in roedels met een sterke sociale structuur. De wolf heeft een intelligente onderlinge communicatie binnen de eigen groep maar ook met andere individuele dieren of andere roedels. Een roedel kan 50 tot 60 km per dag afleggen, soms met snelheden van 50 km/uur. In principe blijven zij binnen een vast territorium. Echter hebben we nu ervaren, dat nieuwe gebieden heel snel verkend kunnen worden om er een territorium in te nemen.
Voortplanting:
Paartijd: februari tot april
Draagtijd: 62-75 dagen
Aantal worpen: 1 per jaar
Worpgrootte: 5-6 welpen
Voedsel:
Grote hoefdieren zoals reeën en edelherten vormen het overgrote deel van het menu onder natuurlijke omstandigheden, aangevuld met onder meer kleinere knaagdieren en vogels. Daar waar het leefgebied van de wolf samenvalt met landbouwgebieden, vallen soms landbouwhuisdieren ten prooi aan de wolf. Ook is het bekend, dat wolven afval eten.

Sinds kort is de aanwezigheid van de wolf in ons land aangetoond nadat er al eerder aanwijzingen waren dat wolven vanuit Duitsland westwaarts trokken. Uit eerste inventarisaties blijken een aantal gebieden in Nederland mogelijkheden aan een beperkte wolvenpopulatie te bieden. Daaronder is het midden van Overijssel, een gebied waar de Wildbeheereenheid "West-Twente”actief is. Als redenen worden door deskundigen de ligging en de gunstige biotopen in de regio (grote natuurgebieden), de onderlinge verbanden hiervan en de verweving met de landbouw genoemd. Ook het voedselaanbod door de relatief hoge reewild is een gunstige factor voor de vestiging van de wolf binnen ons werkgebied. Wel is het van belang, dat aspecten zoals verkeersveiligheid, volksgezondheid en een goede schaderegeling voor de landbouw niet onderschat worden door politiek en overheden. Het is aan deze om verstandige besluiten te nemen en daarvoor hun oor te luisteren leggen bij de plattelandsbewoners.

De WBE is van mening, dat de wolf niet past in het dichtbevolkte werkgebied van de WBE en vreest dat er ongewenste conflicten zullen komen tussen de wolf en bewoners en gebruikers van het gebied.