Weidevogels


Kievit
Vanellus vanellus

Uiterlijk:
Lengte: 28 cm  tot 31 cm
Spanwijdte 67 cm tot 76 cm
Gewicht: 150 g tot 300 g
De kievit heeft een opvallend zwart-wit verenkleed met lange kuif. Vleugels zijn breed en sterk afgerond aan de einden. Door de flappende vlucht ontstaat doordat afwisselend de donkere bovenvleugels en de lichte ondervleugels te zien zijn, een flikkerend effect door het onmiskenbare verenkleed. De bovendelen zijn donker met een groene paarse metaalglans. De onderdelen zijn wit met een roestrode onderstaart. De kop is zwart-wit getekend met een lange, dunne kuif.

Leefwijze:
De kievit is een weidevogel die zich aangepast heeft aan het landschap gecreëerd door de landbouwer en komt vooral voor in weidegebieden en op akkers. De trek van de kievit wordt bepaald door het weer. Bij vorst trekken grote groepen kieviten naar het zuiden. Afhankelijk van het weer komen de kieviten in de loop van januari/februari terug om in maart te beginnen met het eerste legsel.  De kievit is de meest voorkomende en de meest opvallende weidevogel.

Voortplanting:
Aantal legsels: 2-3 per jaar wanneer het eerste of eventueel tweede legsel verstoord wordt
Aantal eieren: maximaal 4 eieren
Broedtijd: maart – juni
Broedduur: 26-28 dagen

Voedsel:
Het belangrijkste voedsel voor de kievit wordt gevormd door wormen. Daarnaast eten ze allerlei insecten en wat onrijpe zaden. De beschikbaarheid van wormen bepaalt of zich de kievit in een bepaald gebied kan vestigen en handhaven. De kievit stelt als eis aan het leefgebied, dat er een rijke bodemfauna beschikbaar is.
Binnen het werkgebied van de WBE "West-Twente” waren tot in de jaren ’70 grote gebieden met grote populaties van kieviten die ook succesvol tot broeden kwamen. Door de intensivering van de landbouw waaronder schaalvergroting, intensiever bodemgebruik, vroeger maaien met steeds groter en sneller materiaal, injecteren van drijfmest, de aanleg van nieuwe woonwijken, industrieterreinen en wegen maar vooral ook verdroging, resten  er binnen het werkgebied van de WBE nog maar enkele echte weidegebieden. Er zijn verschillende weidevogelgroepen actief (o.a. IVN Almelo, IVN Rijssen-Enter, IVN Nijverdal, VAN De Reggestreek en Vanellus vanellus) die werken aan nestbescherming en de resultaten monitoren. De broedresultaten worden ieder jaar slechter, waarbij predatie en landbouwactiviteiten een belangrijke rol spelen. Medewerking van de landbouw in onontbeerlijk om de weidevogels te behouden. De bodemfauna, noodzakelijk voedsel, wordt sterk negatief beïnvloed door de zodebemesting. Wat betreft de predatie worden de mogelijkheden sterk beperkt door de bepalingen van de Flora en faunawet en de provinciale uitvoering hiervan. De kievit is ernstig bedreigd in het voorbestaan binnen het werkgebied van de WBE.

Grutto
Limosa limosa

Uiterlijk:
Lengte: 37 cm  tot 42 cm
Spanwijdte 63 cm tot 74 cm
Gewicht: 280 g tot 500 g
De kleur van de mannetjes wordt bepaald door de grote aantallen regenwormen die gegeten worden. Deze wormen helpen de mannetjes om een diepe, roestrode kleur te krijgen. Hoe fraaier het verenkleed, hoe meer de vrouwelijke grutto's onder de indruk zijn. Bij beide geslachten valt in vlucht vooral de witte vleugelstreep en witte staart met zwarte eindband op. De grutto heeft een kenmerkende zeer lange rechte snavel. De punt van de snavel is zeer gevoelig wat nodig is bij het zoeken van voedsel. Door de lange snavel kan de grutto bij bodemdieren die andere vogels niet bereiken kunnen. De lange donker gekleurde poten zij bij uitstek geschikt voor waden in ondiep water en uitkijken over de vegetatie waarin gebroed wordt.

Leefwijze:
In vochtige weidevogelgebieden kom t de grutto voor, vaak samen met andere weidevogelsoorten zoals de kievit en tureluur.  De grutto komt naar ons land om te broeden en arriveert meestal eind februari/begin maart, afhankelijk van het weer.  De broedtijd duurt van circa eind maart tot juni. De grutto overwintert in Afrika waarbij de Nederlandse populatie al in juli aan de trek begint. 

Voortplanting:
Aantal legsels: maximaal 1 per jaar
Aantal eieren: maximaal 4 eieren
Broedtijd: eind maart - juni
Broedduur: 24-25 dagen

Voedsel:
Met hun lange gevoelige snavel heeft de grutto een vochtige, zachte bodem nodig om wormen en vaak grote aantallen emelten te zoeken die het belangrijkste voedsel vormen. Tijdens de trek wordt overgegaan op plantaardig voedsel.
Net als de kievit heeft de grutto te maken met dezelfde factoren die de stand heeft laten decimeren binnen het werkgebied van de WBE de afgelopen decennia. Doordat de grutto voor het broeden kiest voor lang gras, juist in een periode dat er intensief gemaaid wordt, zijn de mogelijkheden tot nestelen sterk beperkt en is de kans op sterfte door maaien heel groot.  Het niet meer gebruiken van stalmest blijkt ook effect te hebben op de beschikbare bodemfauna en de groei van het gras. Ook voor de grutto zetten zich jaarlijks vele weidevogelbeheerders in om de grutto voor onze regio te behouden.

Tureluur
Tringa totanus

Uiterlijk:
Lengte: 24 cm  tot 27 cm
Spanwijdte 48 cm tot 52 cm
Gewicht: 85 g tot 155 g
De tureluur is aan de bovenzijde bruin. De borst en flanken zijn gestreept en de kop vertoongt een lichte oogring en wenkbrauwstreep. Tijdens de vlucht vallen de witte wig op de rug en de brede witte vleugelachterrand op. In de zomer zijn de boven- en onderdelen getekend met grove donkere vlekken en 's winters zijn de boven- en onderdelen egaal grijsbruin gekleurd. In de vlucht zijn het luidruchtige vogels. De snavel is zwart met een rode basis. De poten van de tureluur zijn rood.

Leefwijze:
De tureluur heeft grote open vochtige ( weide) gebieden voor waar hij voedsel en nestgelegenheid kan zoeken. Het liefst met open water met slikoevers in de buurt.  Buiten het broedseizoen verzamelen tureluur zich langs de kusten en rivieroevers. Tijdens de wintermaanden trekken ze naar Zuidwest Europa of Noord Afrika. 

Voortplanting:
Aantal legsels: maximaal 1 per jaar
Aantal eieren: maximaal 5 eieren
Broedtijd:april-mei
Broedduur: 25-35 dagen

Voedsel:
De tureluur leeft van ongewervelden zoals wormen, maar ook kreeftachtigen en slakken, gevangen aan de oevers van beken en poelen.
De tureluur komt nog maar sporadisch voor binnen het werkgebied van de WBE als broedvogel. Voornamelijk binnen de laatste weidevogelgebieden waar de landbouw niet intensief is en de grond nat genoeg is. Mogelijk dat projecten van het waterschap in samenwerking met landbouwers en Landschap Overijssel waarbij voor plasdras oevers langs beken gezorgd wordt of voor retentiegebieden, de biotoop gunstig maakt voor de tureluur. Als doortrekker, soms samen met andere weidevogels, wordt de tureluur vaker aangetroffen in de open gebieden.

Scholekster
Haematopus ostralegus

Uiterlijk:
Lengte: 39-44 cm
Spanwijdte: 72-83 cm
Gewicht: 500 – 540 gram

De scholekster heeft een lange rode snavel, oranje roze poten en een zwartwit verenkleed.  De kop is zwart. Het bovenlichaam is ook zwart en het onderlichaam is wit. De scholekster heeft een lange roodoranje snavel met roze tot oranjeachtige poten. Tijdens de vlucht kan de scholekster zeer luidruchtig zijn en valt daardoor al snel op.

Leefwijze:
De scholekster is van oorsprong een vogel van graslanden, de kust met haar getijdenzone en is dan ook zowel een weidevogel als een kustvogel. Het nest is een kuiltje in de ondergrond. De scholekster past zich aan het oprukken van de bebouwing. Vaak komen ze ook tot broeden op platte kiezel daken van onder meer bedrijfshallen.

Voortplanting:
Aantal legsels: maximaal 1 per jaar
Aantal eieren:  3 – 4 eieren
Broedtijd: april-mei
Broedduur: 25-27 dagen

Voedsel:
In weidegebieden worden voornamelijk wormen en insecten gegeten. Langs beken en ondiepe slootjes worden ook kreeftachtigen en slakjes opgenomen. In de kustgebieden bestaat het voedsel uit mosselen, kokkels en kreeftachtigen.
De scholekster wordt binnen het gehele werkgebied van de WBE aangetroffen en wordt zelfs waargenomen in de stad Almelo op daken. De biotoop binnen de WBE nodigt niet uit als langdurig verblijfgebied voor de scholekster en wordt daarom vooral in de broedtijd tot aan de vroege herfstmaanden waar genomen.

Wulp
Numenius arquata
 
Uiterlijk:
Lengte: 48-59 cm
Spanwijdte: 80-100 cm
Gewicht: 770 – 1000 gram

Van de wulp is het verenkleed licht van kleur met donkerbruine verticale strepen over het gehele lichaam. In tegenstelling tot de regenwulp (lijkt veel op de wulp) heeft de wulp een vrij egale kop; een donkere oogstreep ontbreekt. In de vlucht is de witte stuit en onderrug goed zichtbaar.  De snavel is als van geen andere vogel, lang en gelijkmatig omlaag gebogen, alsof doorgezakt onder het eigen gewicht. De wulp staat op lange poten.

Leefwijze:
De wulp broedt in vooral vochtige graslanden, maar waar het weer mogelijk is ook in natte heideterreinen. Belangrijk voor de wulp in het broedseizoen is de rust, het beschikbare voedsel  en het laat maaien van grasland. Na broedperiode trekt de wulp weg naar de kustregio’s om vervolgens deel te nemen aan de vogeltrek.

Voortplanting:
Aantal legsels:  maximaal 1 per jaar
Aantal eieren: maximaal 4 eieren
Broedtijd: eind maart tot en met mei
Broedduur: 27-29 dagen

Voedsel:
Ongewervelden in vochtige bodems,  zoals slakjes en vooral regenwormen, worden met de lange snavel opgenomen, waarbij met de gevoelige punt dieper in de bodem gewroet kan worden dan veel andere steltlopers.

De wulp stelt hoge eisen aan het bodemleven en de waterhuishouding om een gebied tot broedterritorium te kiezen. Binnen het werkgebied van de WBE wordt het voorkomen beperkt tot de natte weidevogelgebieden en het Wierdense Veld. Net als veel weidevogels zou de wulp gebaat zijn met een bemesting van de grond met stalmest waardoor het bodemleven bevorderd wordt. De wulp heeft de aandacht van de verschillende weidevogelbeschermgroepen binnen het werkgebied van de WBE.

Watersnip
Gallinago gallinago

Uiterlijk:
Lengte: 23-29 cm
Spanwijdte: 44-47 cm
Gewicht: 60-80 gram

De watersnip is een plompe vogel met een gestreepte kop en een heel opvallende lange snavel.  Het verenkleed is hoofdzakelijk bruin van kleur met een gestreepte kop en bovendelen. De flanken zijn donker gebandeerd en de buik is wit. De snavel is lang en recht en kan wel 7 cm lang zijn. De poten zijn vrij kort en grijsgroen van kleur.  De watersnip vliegt bij verstoring roepend op en verdwijnt zigzaggend en hoog uit beeld of landt een eind verder op in de vegetatie. Meestal in kleine groepjes te vinden, nooit in grote groepen zoals bij veel andere steltlopers. Vliegt tijdens het baltsen rondjes en maakt duikvluchten waarbij de stijve buitenste staartpennen een 'blatend' geluid maken

Leefwijze:
De watersnip komt voor in weidegebieden, hoogveen en getijdenzones en komt in het voorjaar terug als broedvogel. Ook houden zij van natte ruigten zoals natte slootkanten met riet of moerassige stukken land. De watersnip overwintert in zuidelijk Europa.

Voortplanting:
Aantal legsels doorgaans 1 legsel per seizoen
Aantal eieren: 4 eieren
Broedtijd: mei – augustus
Broedduur: 19-21 dagen

Voedsel:
Watersnippen zoeken hun voedsel, dat hoofdzakelijk bestaat uit kleine gewervelde en ongewervelde dieren, in de bovenste laag van slikkige bodems van slootjes, beken, plassen en veen.

De watersnip als broedvogel ontsnapt vaak aan de aandacht doordat deze zeer heimelijk broed. Binnen het werkgebied van de WBE komt de watersnip in de lagere nattere delen voor als broedvogel. Vooral in de herfstmaanden wordt de watersnip op graslanden veel gezien als doortrekker. Een hogere waterstand in sloten tijdens de zomermaanden in combinatie met flauwe oevers en vooral begroeiing zijn van belang om de watersnip een biotoop te bieden. Natuurbouw door het waterschap en de aanleg van retentiegebieden bieden de watersnip nieuwe kansen nadat door verdroging, verlaging van waterstanden in sloten door beheer en verlaging van grondwaterstand door grondwaterwinning, veel gebieden geen voedsel meer konden bieden.